Team voor stedelijke ontwikkeling
Zoek >
Aanmelden nieuwsbrief >
English
Leestekst A A
home
STIPO is
STIPO biedt
Stad & Mens
Stad & Cultuur
Stad & Economie
Stad & Ruimte
- Projecten
- Verdieping & Inspiratie
Stipo Academy
StadsLAB
Stadsgeruchten
Partners
Agenda

Geen stad zonder pleinen

Pleinen

Wat maakt dat pleinen wel of niet goed functioneren? Een essayistische zoektocht door de geschiedenis heen, doorspekt met ervaringen uit de Stipo-aanpak voor projecten als Museumplein en Schouwburgplein.

Geen stad zonder pleinen

Paul van OstayenPaul van Ostayen beschrijft in 1923 in zijn novelle ‘De Stad der Opbouwers' het schrikbeeld van de stad die zo wordt volgebouwd dat alle pleinen verdwijnen. In het verhaal komt de Antibouwbeweging op gang om aan te tonen dat het geen pretje is te wonen in een dichtgegroeid woud van huizen. De leider van dit verzet wordt echter opgepakt door het regime, en ter dood veroordeeld door radbraking. Maar dan:

"Mijnheer de rechter", zei de beul, "waar moet ik het rad opstellen?"
"Op de Grote Markt", antwoordde de rechter.
"De Grote Markt! De Grote Markt! Uwes weet toch dat de Grote Markt alleen nog op de naam na bestaat."
"Stel het rad waar je het hebben wilt."
"Jawel, gemakkelijk gezeid, mijnheer de rechter. In de stad is geen plein meer een schort groot."

Juist omdat er geen openbare ruimte meer is kan de verdachte niet worden geëxecuteerd. Het is het tipping point voor het verzet: het volk gaat - opgehitst door de Antibouwbeweging - morren, bevrijdt de leider en stelt hem aan als hoofd van de Senaat.

In zijn toespraak vanaf het balkon van het raadhuis vraagt hij:

"Wat wil het volk?"
"Pleinen!" golgde het hem plain-chantmatig tegen.

Zonder pleinen, zonder publiek domein, geen stedelijk leven. Zonder goed publiek domein geen kwaliteit van leven in de stad. Dáár vindt uitwisseling plaats en ontstaat het nieuwe. Dáár beleven mensen hun omgeving. Goed publiek domein maakt dat mensen zich plezierig voelen in een stedelijke omgeving, dat de stad positief wordt ervaren. Hiertegenover staat niet zozeer een slecht publiek domein, alswel de afwezigheid van een sterk publiek domein, zoals Van Ostayen beschrijft.

Als de lokale overheid èrgens voor verantwoordelijk is, dan is het wel het creëren van de randvoorwaarden voor een sterk publiek domein. Omdat het over het publieke gaat, is dat trouwens per definitie een met vele andere partijen gedeelde verantwoordelijkheid. Het gaat daarbij absoluut niet alleen om het traditionele beheer, maar ook om de permanente ontwikkeling van het publieke domein. De stad verandert, het publiek domein moet steeds mee ontwikkelen - of doet dat per definitie, de vraag is alleen in welke richting.

Nederland heeft geen historie van fraaie stadspleinen

Ideale steden en Simon Stevin"Waarom kunnen we in Nederland geen goede pleinen maken, zoals in Barcelona?" Een vraag die bewoners veel stellen als je projectleider bent voor het nieuwe Stadionplein. Los van of het precies waar is dat we geen goede pleinen hebben, het klopt in elk geval dat Nederland geen traditie heeft in fraaie stadspleinen of pleinen voor verblijf.

Nederland kent in zijn geschiedenis een zeer vroege verstedelijking, die vanaf het begin erg functioneel was ingegeven. Terwijl in Italië in de 16e eeuw werd gedroomd van utopische steden met sierlijke stratenpatronen, tekende Simon Stevin in 'Van de Oirdeningh der Steden' (ca. 1605) zijn ideale stad zeer functioneel, met als belangrijkste doel: zo efficiënt mogelijk de ruimte benutten. Een gridstructuur met daarin enkele rechte pleinen, elk louter met een handelsdoel: markten en een beurs.

In 1613 begon Amsterdam met zijn grachtenstelsel aan de grootste stadsuitleg die tot dan toe ooit op de wereld planmatig in één keer werd uitgevoerd. Door een zo doelmatig mogelijke uitbating van het beschikbare grondoppervlak, met verkavelingen die een handige en lucratieve bouwgronduitgifte mogelijke maakte, maar bovenal door het vrijwel ontbreken van representatieve openbare ruimte, is de uitleg van 1613 een bijna volmaakt voorbeeld van de boekhoudkundige stad van Stevin.

Het ideaal van een dergelijk stadsmodel was aan het begin van de eeuw op buitengewoon heldere wijze geformuleerd door Simon Stevin in 1605. Veel meer dan een architectonisch ideaalplan, in de grote traditie van de humanistische literatuur over de stad (Alberti, Palladio, Scamozzi) is Stevins schema voor een koopmansstad gebaseerd op een nieuw organisatieprincipe: dat van het moderne legerkamp. Stevin was zelf Kwartiermeester-generaal in het Staatse leger. In zijn traktaat 'Castrametatio, dit is Legermeting' (1617) probeerde hij, op basis van zijn ervaringen met de kampinrichtingen van Prins Maurits, een nieuw, gemakkelijk reproduceerbaar ontwerp te maken voor het ideale legerkamp. Het ziet er naar uit dat Stevin de eigentijdse Hollandse stad met haar snel veranderende functies en gedifferentieerde grondgebruik heeft willen onderwerpen aan dezelfde militaire ordening en discipline.

Daarbij is belangrijk dat Nederland de eerste republiek in Europa was met een burgermaatschappij. Het was niet zoals de steden in Frankrijk uit op het tonen van adellijke grandeur in de publieke ruimte. Er was ook geen kerk met staatsmacht dat zich wilde tonen aan grootse imponerende stedelijke ruimtes; wij hadden het ingetogen calvinisme.

Simon Steving Vande Oirdeningh der Steden

 

We hadden wel handelsruimtes, die nu dan onze historische stadspleinen zijn geworden. Niet omdat de stedenbouwers van destijds dit als ruimtes met grandeur zagen, maar omdat daar de markt de ruimte nodig had. De namen van de open plekken in de historische binnenstad van Hollandse stadjes als Enkhuizen, Zwolle laten dit goed zien: Ossenmarkt, Oude Vismarkt, Melkmarkt. Ook onze taal laat het principe van functionaliteit goed zien: in het begin hadden we het net als de meeste andere talen over ‘plaetsen' (Platz, place), maar sinds de aanleg van ‘Plein' in Den Haag in 1632 raakte gaandeweg het woord plein (van planum) in zwang, dat oorspronkelijk zoveel betekende als ‘brede weg'', ‘vlakte' of ‘veld'.

Op enkele uitzonderingen na zijn marktpleinen tot eind 19e eeuw dominant gebleven in de Nederlandse steden. Door de industrialisatie, maar met name door de massale opkomst van de auto in de jaren ‘50 is in relatief korte tijd dat veranderd. Pleinen kwamen vol te staan met geparkeerde auto's. Tot de ommekeer vanaf de jaren '80 van de vorige eeuw.

Spuiplein Amsterdam

 

"Het plein is in een onoverkomelijke crisis beland"

Gehl en Gemzøe laten in hun standaardwerk New City Spaces zien dat sinds de jaren '80 veel ruimte op auto is overwonnen. Dit leidt tot nieuw leven voor stadspleinen, waar voor de komst van de auto veel van het stedelijk leven samenkwam. Tegelijkertijd zien we dat het leven van mensen minder op het publieke, meer op het private gericht raakt: het wonen raakt naar binnen gekeerd, zeker naarmate elk gezinslid meer en meer zijn eigen kamer met voorzieningen heeft. De oude markten worden verdrongen door nieuwe winkelcentra en winkelgedrag op lange afstanden en comfort.

De eerste reactie van steden was om hun ruimtes te gaan ‘opleuken' met modieuze elementen. Het Damrak in Amsterdam is hier een goed voorbeeld van. Dat leidde tot een nieuwe reactie: de nieuwe soberheid, waarvan het Spui in Amsterdam een goed voorbeeld is.

Maar in de tussentijd is eigenlijk een hele reeks nieuwe pleinen in het stedelijk landschap aan het ontstaan: shopping malls, luchthavens, leisure parken, Arenaboulevard, NEMO, Amsterdam Plage, www.marktplaats.nl. Functies die voorheen elkaar troffen in één pleinruimte worden nu versnipperd en verspreid over een reeks deels semi-commerciële ruimtes.

Er zijn veel auteurs die daarom vinden dat het plein als ontmoetingsruimte in een crisis is beland. 

Realisme: Gehl & Gemzoe

Gehl and Gemzoe New City SpacesGehl en Gemzoe geven in hun boek een visie die poogt niet vanuit pessimisme, maar vanuit realisme te redeneren. Zij onderscheiden vier fases in de ontwikkeling van steden:

  1. de traditionele stad: ontmoeting, markt en verkeer zijn in balans
  2. de bezette stad: één enkel gebruik heeft ruimte veroverd ten koste van ander gebruik, meestal door de grootschalige introductie van de auto
  3. de verlaten stad: publieke ruimte en publiek leven zijn verdwenen; deze stad kàn het gevolg zijn van de bezette stad, en veel middelgrote steden in de Verenigde Staten laten zien dat dit geen louter denkbeeldig model is; in de stadsregio rond Hartford, Connecticut wonen 1,2 mln mensen maar er is geen functionerend stadsplein in het centrum te vinden
  4. de heroverde stad: door een sterke inzet van de overheid ontstaat een nieuwe werkbare balans tussen ontmoeting, markt en verkeer; dit is de tweede mogelijke reactie op de bezette stad.

 

‘In ons openbare leven is er veel dat onherroepelijk is veranderd, waardoor heel wat oude bouwvormen hun vroegere functie zijn kwijtgeraakt'. We zouden het zo in deze tijd kunnen zeggen, en daaruit de conclusie kunnen trekken dat het plein ten dode is opgeschreven. Dit citaat kwam echter van Camillo Sitte. Hij schreef dit in 1889. Er waren namelijk twee veranderingen in de stad: de kranten waren opgekomen en verdrongen publieke nieuwsvoorziening van omroepers op de pleinen. En er werden waterleidingen aangelegd waardoor de waterputten hun functie verloren. Meer dan een ruime eeuw geleden concludeerde Sitte dat hierdoor de stedelijke pleinen hun functie als ontmoetingspunt voorgoed zouden verliezen.

De pessimisten zijn er dus altijd geweest in de literatuur, maar de pleinen zijn er nog steeds. Het gebruik ervan is veranderd, net als de steden zijn veranderd. De vele voorbeelden in het boek van Gehl en Gemzoe laten zien wat er kan.

Museumsquartier Wien

 

"Een goed plein is de moeilijkste stedenbouwkundige opgave die er is"

Ilja Leonard Pfeijffer schrijft: "Er zijn in de wereld twee soorten pleinen: goede en slechte." Eindelijk iemand die het aandurft om te gaan vertellen wat een goed plein is. Maar helaas...: "Wat een plein tot een goed plein maakt is een van de grootste mysteriën op aarde. Het drijft architecten tot wanhoop."

Natuurlijk zijn er wel enkele geheimen bekend:

  1. een goed plein is een bekken waarin alle rivieren uitmonden, een zwaartepunt waar alles vanzelf naartoe rolt
  2. een goed plein heeft geen autoverkeer, autoverkeer vermoordt elk plein onmiddellijk
  3. een goed plein wordt bepaald door zijn randen: die moeten schoonheid hebben, het plein niet wurgen, het plein niet laten lekken, met toegangswegen op de hoeken.

 

En er is de subtiele verhouding tussen de oppervlakte van het plein en de hoogte van de omringende wanden, althans volgens denkers over klassieke pleinen. Camilo Sitte: een goed plein wordt niet bepaald door zijn absolute grootte, maar door de verhoudingen tussen pleinvlakte en omringende hoogte van gebouwwanden. Een klassiek plein is een verharde ruimte omzoomd door gebouwen met een hoogte van minimaal een kwart en maximaal de helft van de breedte van die ruimte, om een oude definitie aan te halen. Maar in 1923 schrijft Le Corbusier: "Sitte, dat is verleden tijd!"

Het Project for Public Spaces geeft tien randvoorwaarden voor succesvolle pleinen:

  1. Imago en Identiteit: een goed plein heeft een evenement, gebouw of kunstwerk dat het een eigen identiteit geeft.
  2. Attracties en Bestemmingen: elk plein heeft een variëteit nodig aan kleinere plekken die mensen aantrekken, zoals cafétjes, fonteinen, een beeld of een podium.
  3. Voorzieningen: een plein heeft voorzieningen nodig die de ruimte comfortable maken voor gebruikers: banken, licht, voetpaden etc
  4. Flexibel Ontwerp: het gebruik van een plein verandert gedurende een dag, week en jaar. Om deze natuurlijke verschuivingen te kunnen opvangen moet flexibiliteit worden ingebouwd in het ontwerp.
  5. Seizoens Strategie: een succesvol plein zoals Bryant Park heeft gebruik dat wijzigt met het seizoen. Het toevoegen van een schaatsbaan kan bijvoorbeeld wintergebruik uitlokken.
  6. Toegang: de beste pleinen zijn gemakkelijk toegankelijk te voet: omliggende straten zijn nauw, oversteekplaatsen duidelijk aangegeven, stoplichten afgestemd op voetgangers.
  7. Het Binnenplein & Het Buitenplein: dit idee van parkontwerper Frederick Law Olmsted is na 100 jaar nog altijd actueel. De straten en stoepen rondom een plein beïnvloeden het gebruik enorm.
  8. Uitstrekken als een Octopus: een goed plein strekt zich uit tot in zijn omgeving. Als de tentakels van een octopus kan het plein de omgeving tot een blok in de omgeving beïnvloeden.
  9. De Centrale Rol van Pleinmanagement: goed beheer is begrijpen hoe het plein vanuit zijn eigen karakter een hoge kwaliteit houdt, maar bijvoorbeeld ook welke evenementen daarbij passen.
  10. Verschillende Financieringsbronnen: meestal ligt het beheer in handen van de overheid, maar sponsorships en partnerships zijn nodig om het gebruik divers te houden.

 

Heel belangrijk is de notie dat het succes van een plein niet alleen binnen de hekken van de ruimte is op te lossen met bijvoorbeeld een nieuw ontwerp; het is afhankelijk van het succes van de omgeving. Daarnaast is belangrijk, zeker voor de Nederlandse context, dat beheer en pleinmanagement minstens even cruciaal zijn als het ontwerp. Niet alleen door beheervriendelijk ontwerpen, maar ook door meer dan alleen maar functioneel beheren en vervangen tijdens de gebruiksfase. In het Masterplan Museumplein is om die reden beheer als eerste hoofdstuk opgenomen, iets wat bepaald niet gebruikelijk is.

Types typologieën

Er zijn veel pogingen gedaan om pleinen onder te brengen in één typologie. Om een indruk van de breedte te geven, en daarmee van de breedte waarmee het mogelijk is om over pleinen na te denken, volgen hieronder drie mogelijke indelingen.

Pleinentypologie Gehl en Gemzoe

Gehl en Gemzoe kijken naar de stadsfunctie en onderscheiden:

  1. Stedelijke hoofdplein: de centrale stedelijke ruimte / De Dam, Markt Gouda etc
  2. Recreatief plein: voor ontmoeting en ontspanning / Museumplein
  3. Promenade: ruimte van momentum en richting / Champs Elysee
  4. Verkeersplein: vooral verkeerscirculatie / Surinameplein
  5. Monumentaal plein: symbolisch van belang / Heldenplein Budapest

 

Pleinentypologie Paul Zucker

Paul Zucker onderscheidt in zijn standaardwerk vijf pleintypes:

  1. Gesloten - Place des Vosges, Parijs / Rembrandtplein
  2. Gedomineerd - Pariser Platz, Berlijn / Nieuwmarkt
  3. Nucleair - Place Charles de Gaulle, Parijs / Dam
  4. Gegroepeerd - Piazza San Marco, Venetië / Leidseplein
  5. Amorf - Time Square, New York / Stadionplein (nu)

 

Pleinentypologie Harm Tilman

Harm Tilman onderscheidt door de historie van het stedenbouwkundig ontwerp weer drie ontwerpbenaderingen, met elk een andere opvatting van wat een plein zou moeten zijn:

  1. het plein als stadskamer, beauxarts, Berlage: het traditionele plein met wanden
  2. het plein als dienblad met elementen, modernisten, de Rietveld stoel als metafoor
  3. het plein als poëtische ontmoeting van bebouwing, open ruimte, texturen en stedelijke vormen, waarmee een andere vorm van schoonheid kan worden gecreëerd; De Portzamparc.

 

Hardware en Software strategie pleinen

 

Plein is programmering

Minstens zo belangrijk voor de beleving is dat een plein niet alleen een fysieke ruimte is, maar ook geschiedenis, betekenis, stedelijke duiding. Wie denkt aan het Malieveld, de Dam, het Rembrandtplein, het Museumplein, het Binnenhof, het Schouwburgplein heeft daar onmiddellijk elke keer een ander gevoel bij, een andere betekenis voor het stedelijk leven. Dit geldt ook voor nieuwere pleinen, zoals het stadshart Amstelveen, stadshart Almere, het Marie Heinekenplein, hoewel die door hun jonge karakter en inrichting vooral nog door commercie worden gedomineerd.

Geheimen die daarbij een rol spelen zijn het gebruik van logische stromen langzaam verkeer uit de buurt, het ontwikkelen van stedelijke betekenis, de aanwezigheid van polen op het plein (zodat er een reden ontstaat om het plein over te steken) en programmering met de juiste functies. Dat laatste is trouwens erg moeilijk: terrassen zijn goed, maar ook weer niet te veel want dan wordt het plein te eenzijdig. Winkels leveren bezoekers op, maar 's avonds ook rolluiken. Markten lijken mooi, maar functioneren ze nog wel? In elk geval is uit recente ontwerpen te zien dat succesvolle pleinen niet alleen commercieel gebruik kennen, maar ook sociaal-culturele functies, waardoor een publieke openbaarheid kan ontstaan.

Ook wonen ‘bovenop/direct rondom' het plein is belangrijk, met uitgangen op het plein. Dit draagt bij aan de publieksstromen ("bekken waar alles naar toe rolt").

Museumplein Amsterdam

 

Actief programmeren, casus Museumplein

Het Museumplein is in veel opzichte illustratief voor deze aanpak.

Het gebruik van het plein wordt op vier schaalniveaus geanalyseerd: buurt (leef- en sportruimte), stad (huiskamer), land (nationaal plein met rondom een samenvatting van de Nederlandse bijdrage aan de cultuur) en internationaal (belangrijkste bezoekattractie van Nederland). Het doel van het project is van het Museumplein meer een bestemming te maken voor de Amsterdammers (in plaats van iets waar je langs fietst) en een gastvrijer onthaal voor gasten. Wat er nodig is op deze schaalniveaus is breed gevoed door gesprekken met gebruikers en comakers uit het culturele veld.

Naast de sterk aanwezige cultuurvoorzieningen wordt daarom ingezet op aanvullende voorzieningen, van betere banken en paden tot een grotere variatie aan gastronomie. In het nieuwe ontwerp van Michael van Gessel en Ton Schaap wordt bovendien een grotere reeks kleine plekken geïntroduceerd, vooral door aan de rand een zachtere overgang van de nauwe straten naar de openheid van het veld te bieden, o.a. met zwaarder aangezette bomenrijen en nieuwe voorzieningen. De naar het Museumplein toe leidende straten zijn integraal betrokken, om sterkere verbindingen te krijgen met de omliggende stadsgebieden als De Pijp, Vondelpark, PC Hooftstraat, Spiegelkwartier en het Theaterkwartier Leidseplein: het Museumplein als ‘octopus'.

Beheer is integraal betrokken; sterker nog, in het nieuwe Masterplan wordt beheer het eerste hoofdstuk (en niet zoals gebruikelijk een van de laatste paragrafen). Er is geanalyseerd wat er in het ontwerp moet gebeuren om een structureel beter beheer mogelijk te maken (beheervriendelijk ontwerpen). Maar daarnaast is het structureel verbeteren van het beheer, inclusief organisatie en kosten, integraal onderdeel van het Masterplan.

De Visie en het Masterplan zijn interdisciplinair opgezet: naast landschaps- en stedenbouwkundig ontwerp en beheer zijn planologie en gebruik betrokken, kunst en cultuurhistorie, veiligheid en openbare orde, duurzaamheid en waterbeheer. Verder is cruciaal voor het project geweest dat niet alleen de ruimtelijke en culturele betekenis is doorgrond, maar ook de economische. De bezoekers aan het Museumplein en de musea zijn samen goed voor zo'n 750 mln euro bestedingen in Nederland per jaar.

Samenhangend met deze hardware interventies is een reeks soft- en orgware interventies in gang gezet. Er is een samenwerking ontstaan tussen Rijksmuseum, Van Gogh Museum, Stedelijk Museum, Concertgebouw, Koninklijk Concertgebouworkest, stadsdeel Zuid en centrale stad. Die samenwerking is gericht op een gemeenschappelijke programmering: het Museumplein als nieuwe culturele instelling. Dit wordt ondersteund door een gemeenschappelijke organisatie en marketingstrategie.

Dit actief programmeren is overigens sterk in opkomst. Dit bleek tijdens een bijeenkomst met de culturele pleinen van de G4 (Spuiplein Den Haag, Schouwburgplein Rotterdam, Domplein Utrecht en Museumplein). Alle vier zijn hiervoor initiatieven aan het opzetten. En het blijkt ook uit een internationale vergelijking van cultuurclusters die Stipo momenteel maakt. Het Museumsquartier Wien, Museumsinsel Berlijn, Exhibition Road London en Millennium Park Chicago zijn enkele voorbeelden van clusters waar actief wordt samengewerkt voor een gemeenschappelijke programmering. Het laat zien hoe het belang van interventies in de soft- en orgware voor deze steden is toegenomen de afgelopen jaren.

Een vergelijkbare aanpak als hierboven beschreven heeft Stipo gehanteerd bij Schouwburgplein, Stadionplein en de vele andere publieke ruimtes waarbij Stipo is betrokken.

Recent bijvoorbeeld in Hengelo, waar we in één dag een quickadvies hebben uitgebracht vanuit de 4P-aanpak:

- Pleinen

- Parken

- Plinten

- Programmering.

Cafe Central Budapest

 

Toekomst

Tenslotte. Hoe kijken we nu naar de toekomst? Zijn pleinen op hun einde door de toenemende individualisering en de fragmentatie van het publieke leven naar nieuwe semi-private domeinen als winkelcentra?

Tijdens de industriële revolutie eind 19e eeuw groeiden veel Europese steden zo hard dat velen in kleine ruimtes met veel mensen dicht op elkaar moesten leven. Als reactie daarop ontstonden de grand cafés, waar het publieke leven zich afspeelde. Waar de woningen klein waren en lage plafonds hadden, kozen deze grand cafés bewust voor hoge plafonds.

In het Budapest van 1900 waren er twee dergelijke belangrijke grand cafés: Central en New York. De Hongaarse stadsschrijver Frigyes Karinthy besloot de snelheid van de stad te testen. Hij bedacht een nieuwe grap, vertelde die in Central, sprong in zijn gereedstaande paard en wagen om zich naar New York Kávéház te haasten en daar te gaan zitten wachten met horloge in de hand. Daar aangekomen kwam een schaterlachende vriend op hem afgelopen: "Frigyes, moet je deze horen!"

Wat de koffiehuizen honderd jaar geleden waren, zijn de pleinen in zekere zin nu. De dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam heeft veel onderzoek gedaan naar de consumptiemilieus die horen bij de Creatieve Stad. De creatieven zijn veelal alleenstaanden, zowel thuis als in hun werk. Voor hun werk is de uitwisseling en samenwerking met anderen cruciaal. Wat hebben zij als één van de belangrijkste factoren nodig? Een goed nachtleven en goede terrassen.

Dublin had vanuit de Angelsaksische planningstraditie nooit goed functionerende pleinen. Ieren gingen naar de kroeg, dat noemden ze ‘public', niet de pleinen. Tijdens de recente (en inmiddels weer voorbije) economische boom kreeg ook Dublin te maken immigratie en werd opeens diversiteit een issue. Crisis of niet, de komst van nieuwe culturen heeft daar opeens de pleinen tot leven gebracht.

Wie het over twintig jaar zijn is moeilijk te zeggen, maar er is tot nu toe altijd wel weer een verrassende nieuwe groep voor het publieke domein en de pleinen.

Achtergrond

Dit artikel is geschreven op basis van een gastcollege van Hans Karssenberg voor Bouwkunde van de Hogeschool van Amsterdam en naar aanleiding van recente ervaringen in de publiek domein projecten Stadionplein in Amsterdam, Schouwburgplein in Rotterdam, Museumplein in Amsterdam, de uitwisseling Culturele Pleinen G4, een quickadvies over de pleinen in de binnenstad van Hengelo en het internationaal vergelijkend onderzoek van Stipo naar de betekenis van de openbare ruimte in cultuurclusters.

Inspirerend om verder te lezen

  • Pleinenboek, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, 2003
  • New City Spaces, Jan Gehl en Lars Gemzøe, 2003
  • Op zoek naar nieuw publiek domein, Maarten Hajer en Arnold Reijndorp, 2001 

Zie ook op deze site

  • Kernwaarden Stipo: publiek domein
  • Publiek domein projecten Stipo
  • Museumplein Amsterdam
  • Stadionplein Amsterdam
  • De programmering van culturele pleinen G4
  • Museumsquartier Wien
  • De Plintenstrategie van Stipo in een reeks projecten
  • De plintenaanpak van Stipo in de binnenstad van Rotterdam
  • De Pleinenvergelijking van O.M.A. voor het Stadionplein, waarin 10 wereld pleinen in grootte met elkaar worden vergeleken. 

Meer weten?

Contactpersoon: Hans Karssenberg 
Klik hier om Hans een mail te sturen.
Of klik hier voor de contactgegevens van Stipo.

 

Inhoud
1.
Geen stad zonder pleinen
2.
Nederland heeft geen historie van fraaie stadspleinen
3.
"Het plein is in een onoverkomelijke crisis beland"
4.
Realisme: Gehl & Gemzoe
5.
"Een goed plein is de moeilijkste stedenbouwkundige opgave die er is"
6.
Types typologieën
7.
Plein is programmering
8.
Actief programmeren, casus Museumplein
9.
Toekomst
10.
Achtergrond
11.
Inspirerend om verder te lezen
12.
Zie ook op deze site
13.
Meer weten?
Print dit artikel
Stuur dit artikel door

Downloads:

  • De Pleinenvergelijking van O.M.A.
Stipo Amsterdam: +31 (0)20-4233690 / Stipo Rotterdam +31(0)10-2041590 / contact@stipo.nl