Nieuwe participatie en de gevolgen van de stortbak
| Mark Verhijde schreef voor KEI een artikel over de nieuwe participatie in Nederland. KEI publiceert dit artikel in het komende A5 thema nummer. |
In haar boek "Hungry City" schrijft Carolyn Steel hoe de introductie van het watertoilet van Joseph Bramah in 1778 de sociaal-culturele en fysieke structuur van London op zijn kop zette. Vóór de stortbak was het smerig in de stad - altijd oppassen dat er geen po geleegd werd boven je hoofd bijvoorbeeld. Riolering bestond niet, ontlasting en ander afval werd met wagens en boten afgevoerd. En er was altijd stank. Met het watertoilet, het toevoegen van water aan ontlasting, zou de stad uiteindelijk schoner worden, al moest eerst het hele afwateringssysteem van de stad omgebouwd moest worden tot riolering. De stortbak spoelde eerst veel meer vuiligheid op straat, omdat het oude buizenstelsel de grote hoeveelheid ontlasting niet aan kon, vooral niet als het regende (en het wil wel eens regenen in London). Dit voorbeeld illustreert voor mij hoe een kleine verandering in een bestaand systeem, mits in voldoende aantallen, zo'n systeem radicaal kan veranderen.
Nieuwe participatie
Dit artikel gaat ook over zo'n kleine verandering in de bestaande praktijk binnen de stedelijke ontwikkeling. Het gaat over bewoners en de gevolgen van nieuwe participatie (zie voorbeelden in de publicatie Help! Een burgerinitiatief van InAxis-BZK). Voor mij bestaat de kern van die nieuwe participatie uit twee delen. Het gaat altijd om eigen initiatieven van bewoners, zij zijn de eigenaar. En als zij daarbij een gemeente of woningcorporatie nodig hebben, onderhandelen zij op basis van gelijkwaardigheid, volgens het principe van Voor Wat Hoort Wat. Bewoners zetten tegenover geld en faciliteiten vooral hun sociale kapitaal in en daarmee worden ze echt comakers in stedelijke vernieuwing. Maar er gebeurt meer - onderhandelen maakt individuele bewoners weerbaarder, waardoor zij ook zichzelf veranderen en vervolgens hun omgeving. Hun sociale netwerken worden groter, het worden er meer, en dat maakt hen weer kansrijker als sociale stijgers.

Twee Enschedese voorbeelden als illustraties. Eerst uit de wijk Stroinkslanden. Een groep bewoners daar wilde in 2006 voor hun straat wel een tafeltennistafel. Het resultaat van de onderhandeling met stadsdeelmanagement was dat zij als tegenprestatie de voortuinen van een aantal ouderen hebben onderhouden. Het gevolg was dat er plotseling leuk en nuttig contact was - met koffie en koekjes - tussen deze initiatiefnemers en de groep ouderen, iets dat nooit gebeurd zou zijn als er niet onderhandeld was. In 2008 zijn twee mensen uit deze bewonersgroep mede oprichters van het Bewonersteam Stroinkslanden geworden, een nieuwe wijkorganisatie van en voor bewoners, die kritisch meewerkt aan de herstructurering van Stroinkslanden. Het tweede voorbeeld uit de wijk Wesselerbrink in Enschede. Als jongen van 14 onderhandelde Dennis Gerritsen in 2006 met de gemeente over de aanleg van een kunstgras trapveldje. Zijn tegenprestatie was dat hij samen met zijn vriendjes het trapveldje schoon hield, de bladeren opruimde, maar ook over het beheer van de voetballen ging die de woningcorporatie beschikbaar stelde. Daarna organiseerde Dennis de jongerendisco in het wijkcentrum, werd hij buddy voor andere kinderen bij het zelf organiseren van sport- en spelactiviteiten, zette hij samen met diverse jongeren en volwassenen de grootste Sinterklaasintocht van Enschede op, en diende een enthousiast idee in voor het Beste Buurtplan van Nederland van de NCRV. Hij heeft in 2008 de Enschede Speld gekregen.
Onderhandelen als persoonlijke interventie
Hierboven benadruk ik het verband tussen de eerste onderhandeling en de verdere ontwikkeling van deze bewoners en hun omgeving. Volgens mij wordt onderhandelen door hen ervaren als een persoonlijke interventie, niet principieel anders dan interventies als een gedwongen verhuizing bij herstructurering, een traject van schuldhulpverlening na een huisbezoek, of opleiding of baan bij werkloosheid. Ook deze meer herkenbare persoonlijke interventies kunnen bewoners precies een stapje vooruit brengen. Het verschil zit hem in het feit dat het hier om eigen initiatieven gaat. Er is trouwens nog een overeenkomst. Niet alle interventies lukken om bewoners te laten groeien, en dat geldt ook voor onderhandelen bij bewonersinitiatieven. Er zijn psychologische drempels te slechten, urgente behoeften te voldoen, en vaak is het voor bewoners ook wennen, een gemeente die hen uitdaagt om een stap te maken en daarover onderhandelt. De ervaring in Enschede laat zien dat de maatschappelijke en persoonlijke effecten enorm zijn, bewoners - individueel, in georganiseerd commissie of wijkraadverband en in onderling netwerkverband - treden echt op als comakers (zie hiervoor het SEV rapport Vertrouwen in de Buurt 2008).
Voor alle interventies geldt dat zij pas zichtbaar in de samenleving worden als we in de grotere getallen gaan praten, want massa maakt verschil. Leuk als er tien bewonersinitiatieven zijn, maar beter als het er 100 of 500 zijn (of 10.000). In stadsdeel Enschede Zuid werden in 2007 en 2008 ongeveer 600 nieuwe participatie activiteiten uitgevoerd. Stel je eens voor wat dit voor de samenleving gaat betekenen, al die bewonersinitiatieven. En hoe de initiatiefnemers zelf zich in de verdere jaren gaan ontwikkelen, hun sociale netwerken vermeerderen en uitbreiden, andere mensen daarin meenemen en stimuleren. En wat dat gaat betekenen voor de andere partijen met passie voor stedelijke ontwikkeling, voor de betrokken mensen die werken bij de gemeente of de woningcorporatie.

En waarom niet? Nieuwe participatie zien we steeds vaker in de praktijk van de stedelijke ontwikkeling, en wat kan bewoners ervan weerhouden om met eigen initiatieven te komen en te onderhandelen met een gemeente of andere partner? Afgezien van de houding, positie en mogelijkheden van de gemeente of andere partners dan. Want om te kunnen onderhandelen moet er wel een houding zijn om er samen uit te komen, een gelijkwaardige positie en er moet iets te halen en te brengen zijn. Daarom wat suggesties voor gemeenten en woningcorporaties om zich klaar te maken voor de vloedgolf aan goede ideeën uit de samenleving.
Verander alle subsidieverordeningen en participatiereglementen, schrap daaruit alle verwijzingen naar draagvlak en gelijkheidsprincipes en introduceer de begrippen onderhandelen op basis van gelijkwaardigheid, prestaties en tegenprestaties, inhoudelijke keuzes die voortkomen uit het onderhandelingsresultaat. Accepteer dat je onderhandelt met individuele bewoners en dat het de moeite waard is aandacht te besteden aan de gevolgen ervan voor deze mensen. Accepteer ook dat beleidsparticipatie fundamenteel anders is dan burgerinitiatieven. Net doen alsof de stortbak van eigen ideeën en voorstellen van bewoners wel ondergebracht kunnen worden binnen de bestaande participatiekaders leidt uiteindelijk tot meer vuil en smerigheid in de straten. Deze tijd vraagt om nieuwe rioleringen, zodat we ons over een aantal jaren niet meer kunnen voorstellen dat nieuwe participatie in stedelijke ontwikkeling er ooit niet was.
Meer weten
Stipo besteedt in haar opdrachten veel aandacht aan comakers en hun rol en positie binnen ontwikkelingsprocessen. Onderhandelen met bewoners en hun rol als comakers komt voort uit het wijkontwikkelingsplan Kultuurstraat Wesselerbrink (Ecorys Herstructureringsprijs 2005). De notie Voor Wat Hoort Wat is ontstaan tijdens het project het Veilinghuis (Nominatie InAxis Innovatieprijs 2007), met dank aan Wim Kuut. Voor landelijke informatie over onderhandelen met burgers, zie ook In actie met bewoners van Ministerie van BZK.
Klik hier voor de contactgegevens van Stipo.