Van Zwischennützung naar Coopolis
“Je hebt kattensteden en hondensteden. Hondensteden laten zich eenvoudig lezen. Berlijn is een kattenstad. Elke keer dat je denkt, nu heb ik haar te pakken, dan onttrekt Berlijn zich aan je.” Op zoek naar zwischennützung, tijdelijkheid, de creatieve stad en de ziel van Berlijn.
Foto: Suzanne Roos
Naar 6 miljoen inwoners... of toch niet
Berlijn heeft 3,5 miljoen inwoners. Hoewel het daarmee een van de grootste steden in Europa is, heeft het curieus genoeg geen ommeland: het direct omliggende gebied is in een straal van zo’n 400 km juist één van de leegste gebieden van Europa. Na de val van de muur en de hereniging verplaatste de regering de regeringszetel terug naar de stad. De stad zou de poort naar Centraal- en Oost-Europa worden en gecombineerd met de hoofdstedelijke functie zou Berlijn weer fors groeien. Politici projecteerden het groeimodel van München en Frankfurt. Berlijn zou van 3,5 naar 6 miljoen inwoners groeien. Het hele investeringsprogramma werd daarop gebaseerd.
De groei bleef uit. De economie van Duitsland was al gesettled in het zuiden (Frankfurt, Munchen) en het noorden (“in Hamburg praten we niet over geld, we hebben het”). Warschau en Krakau kregen de functie van poort naar Centraal- en Oost-Europa: daar spreken de inwoners de talen van west en oost: Engels als Russisch; in Berlijn spreken ze geen van beide. De komst van de regeringszetel leidde niet tot significante groei en de interne achterstand bleek groot: Oost-Berlijn was arm, West-Berlijn kon voor de val van de muur alleen met extra geld kunstmatig in stand worden gehouden en staat nog steeds bekend als subsidieverslaafd. De stad bleef steken op de 3,5 miljoen die het al had.
Leerstand, leegstand
De groei bleef uit, maar de stad investeerde via grote projecten als Potzdamerplatz wel voor de verwachte 6 mln inwoners. De stad belandde jarenlang in een faillissement en heeft nog steeds een geschatte schuld van 60 miljard euro. 15% van de inwoners van Berlijn is werkloos, in sommige buurten oplopend tot 40%. De stad kent een enorme leegstand: 10% van alle gebouwen staat structureel leeg: 100.000 woningen (niet zozeer in bepaalde buurten maar meer gespikkeld over de hele stad), 3 mln m2 kantoren, en daarnaast zijn er (mede door claims van eigenaren uit het verleden) vele lege ongebruikte kavels in de stad.
Het leidt tot curieuze situaties. Door de uitverkoop van de crisis zijn met uitzondering van één alle woningcorporaties verkocht. Nog maar 16,5% van de woningen is corporatiebezit, 270.000 van de 1,88 mln woningen. Desalniettemin is 87% van alle woningen in Berlijn een huurwoning. De grote leegstand leidt ertoe dat markthuurwoningen goedkoper zijn dan sociale huurwoningen.
Foto: Suzanne Roos
Zwischennützung, tijdelijkheid
De stad probeert positief met de leegstand om te gaan: het biedt ruimte voor een reeks van onorthodoxe initiatieven onder de noemer Zwischennützung: tijdelijk gebruik. Talrijke voorbeelden hiervan zijn te vinden en op de weblog van Vincent Kompier, die als planoloog / journalist / stadsverteller de stad sinds twee jaar van binnenuit beleeft. Een rondleiding door Vincent is een belevenis en zijn weblog staat vol met de initiatieven waar de leegstand toe leidt.
Het oude Oost-Duitse Volkspalast is na het felbediscussieerde besluit snel gesloopt. Vervolgens bleek er echter geen nieuwe investeerder te krijgen. De braakliggende kavel is nu door Relais landschapsarchitecten tijdelijk ingevuld als ligweide. Het is één van de vele tijdelijkheids initiatieven die de leegstand uitlokt. Bij de Prinzessinnengarten zijn twee jonge architecten op een braakliggend terrein pal aan de metro een tuin voor mobiele Urbane Landwirtschaft gaan inrichten, landouw in de stad terug. Maar wel in kratten en mobiel zodat hij gemakkelijk naar een andere tijdelijke plek verplaatsbaar is. ’s Zomers zijn er een restaurant/café en filmvertoningen. Of het inmiddels beroemd geworden tijdelijke stadsstrand en zwembad in de Spree. In de winter komt er een kap op het buitenbad en dient de drijvende waterbak als sauna. Of de tijdelijke stadscamping Tentstation op nog geen tien minuten van de Hauptbahnhof gevestigd op een terrein van een voormalig buitenbad dat ooit moet worden omgetoverd tot welnesscentrum.
Niet alleen in het publieke domein, maar ook in het vastgoed zijn er allerlei experimenten te vinden. Het Michelberger hotel bijvoorbeeld, dat begon als een gemeenschappelijk wooninitiatief van een stel vrienden, één van de vele honderden Baugruppen die Berlijn kent. Als er niemand voor je zorgt, ga je zelf initiatief nemen. De vriendengroep realiseerde zich hoe groot het gebouw van hun keuze was, schakelde wat designersvrienden in en creëerde een goedkoop, maar door de uitstraling ook een van de hipste hotels van Berlijn.
Of het Betahaus, een leegstaand kantoor waar drie jonge vrouwen nu met een hyperflexibel concept bureaus zijn gaan verhuren aan ZZP’ers, laptopwerkers, de coworkers: de nieuwe werkers. Ze zijn IT’er, kunstenaar, sociaal ondernemer en vaak alles door elkaar. Het vrouwentrio merkte dat er steeds van hun vrienden liever niet toch niet thuis wilden werken. De formelere sfeer is nodig om tot productie te komen, de woonkamer is te eenzaam en het netwerk om diensten te delen ontbreekt. In het Betahaus kunnen ze kiezen uit een strippenkaart voor een aantal dagen in de maand, een wisselende bureauplek of een vast bureau; ze kunnen kiezen of ze een postvak of een kast willen. De tarieven variëren van € 12 (superflex) tot € 229 (fix). Beneden is er een loungeplek met een goede bar en uitstekende espresso. Sinds het kantoor het Betahaus is geworden zit het weer vol.
Trial & Error City
Berlijn is trial & error city pur sang. Maar het lijkt wat te eenvoudig om te zeggen dat dit alleen maar door de leegstand komt.
Allereerst is er de stadsbevolking. In Berlijn leven grofweg gezegd vier groepen: oude Oost-Berlijners, oude West-Berlijners, immigranten en Nieuwe Berlijners. Die laatste groep bestaat uit creatieven en kunstenaars die uit heel Europa tijdelijk in Berlijn komen wonen. Na verloop van tijd gaan ze, bij gebrek aan rijke opdrachtgevers, weer terug naar financieel rijke steden. Maar zolang als het duurt voelen ze zich thuis in het alternatieve klimaat van de stad en de aanwezigheid van een eigen creatieve groep. Vincent Kompier noemt hun woontijd in Berlijn ‘de latte machiato fase’: ze komen rond 18 jaar en vertrekken rond 35 jaar de stad uit. Het maakt Berlijn tot een jonge stad.
Vooral de West-Berlijnse groep kende een groot aandeel alternatieven. Omdat niemand in het geïsoleerde West-Berlijn wilde wonen voerde de regering van West-Duitsland de maatregel in dat jonge mannen de dienstplicht konden ontlopen als ze er gingen wonen. Ze wonen nu bijvoorbeeld in alternatieve woonwagenkampen, hun kinderen houden kampioenschappen fingerboarding in verlaten industriehallen midden in de stad en ‘s zomers trekken ze er met woonwagen op uit, naar de snelweg tussen Berlijn en Hamburg. Die is zo leeg, dat er gemakkelijk allerlei festivals kunnen worden georganiseerd; de weg staat dan ook bekend als Festival Highway.

Economisch gezien speelt een rol dat er geen minimum loon is; veel mensen werken voor 2 euro per uur. Bijna iedereen onderneemt daardoor wel iets. Veel mensen hebben geen baan, maar ‘project’ en zitten met hun laptop in de cafés. Het gebrek aan geld, de alom aanwezige werkloosheid en het ontbreken van minimumloon maken de drempel om iets te gaan proberen laag. Voor wie iets onderneemt wordt de eventuele terugval in armoede bij mislukking niet als schande beschouwd. Anders dan in een stad als Amsterdam is de druk om niet te mogen falen is niet heel hoog.
Het bestemmingsvrije regime (speciaal voor de ontwikkeling van Berlijn ingericht, een enorme versoepeling van regelgeving) maakt het mogelijk dat iedereen een cafétje begint, en dat doen velen ook. Dat schept weer een klimaat in de stad waar creatieven zich thuis bij voelen.
Stedelijk gezien is de stad dermate groot dat elke scene direct een enorme kritische massa kan ontwikkelen. Er is een levende krakersscene van grote omvang. Hele buurten staan bekend als gepiercete moedersbuurten. Het cultureel kapitaal krijgt op veel plaatsen in de stad daarmee een zodanige kritische massa dat er draagvlak voor allerlei alternatieve voorzieningen ontstaat.
Politiek gezien zorgt het linkse stadsbeleid voor een klimaat waarin alternatieven gedijen en waarin creatieven zich thuis voelen. En dat gebeurt op grote schaal. Want de combinatie van die vier groepen trekt tegenwoordig nog een vijfde groep aan: het clubcircuit, of zoals Tobias Rapp het noemt, de Easyjetset. Elk weekend komen er zo’n 10.000 clubbers met cash carriers uit heel Europa Berlijn binnen, om drie dagen te feesten en dan weer terug te vliegen. Hun tickets kopen ze een jaar vooruit, zodat ze voor € 25 vliegen, minder dan de taxi in Amsterdam na een nachtje stappen. Ze duiken het uitgebreide clubcircuit in, zoals Rodeo Drive, een restaurant in de koepel van het voormalige postkantoorgebouw in Kreuzberg waar de muziek door twee DJs steeds harder wordt opgezweept en je tot diep in de nacht blijft dansen. Het aantal hotelbedden, met hotels zoals Michelberger, steeg in de afgelopen jaren van 400 naar 17.000. Iets waar de Nederlandse steden echt de boot in hebben gemist. De clubbers spreken intussen elke week weer af: zie je in Barcelona, in Milaan, in Londen, in Berlijn.
Foto: Suzanne Roos
Poor but Sexy
Berlijns unieke vergelijking is daarmee ongeveer: goedkoopte + laagdrempeligheid + tolerant klimaat + cultureel kapitaal + voldoende kritische massa = trial & error city. Berlijn heeft weinig economisch kapitaal, maar wel een enorme hoeveelheid cultureel kapitaal. Armoede en krimp zijn misschien wel veel draaglijker als je veel fantasie hebt. Zelfs de burgemeester zelf zegt over zijn eigen stad: ‘Berlin is poor but sexy’.
Veel steden kennen krimp in Europa, waarbij de kwantitatieve daling gepaard gaat met maatschappelijke misère. Er is weinig economisch kapitaal, en er is ook weinig cultureel kapitaal. En dat is precies wat Berlijn uniek maakt, want de stad kent misschien weinig economisch kapitaal, maar wel veel cultureel kapitaal. De stad is arm maar loopt over van de ideeën en de fantasie, en de laagdrempeligheid en het ondernemerschap om daarop allerlei initiatieven te ontwikkelen.
Het lijkt een moeilijk te kopiëren recept. Berlijn kende in de loop van zijn geschiedenis oorlog, een muur, een decennialange instroom van alternatieve diensplichtontduikers, een hereniging en een langdurige financiële crisis. Krimpende steden in voormalige industrie- of mijngebieden staan er veel benarder voor. Is daar, en in veel vernieuwingswijken, misschien een alternatieve strategie om de ontwikkeling te focussen op het vermeerderen van cultureel kapitaal, in plaats van economisch kapitaal?

Foto: Suzanne Roos
De bron: Zwisschennützungsargentur
De combinatie van weinig economisch en veel cultureel kapitaal komt bij uitstek tot uiting in de moeder aller tijdelijkheidsprojecten: dat van Stefanie Raab en Maria Richarz. Zij hebben de Zwischennützungsargentur opgericht, te vertalen als agentschap voor tussengebruik. Ze zijn te zien als de bron van de school van Zwischennützung en tijdelijk gebruik.
De aanpak van de Argentur zit bijzonder doortastend in elkaar. De architecte en de stadsplanner bedachten samen een concept om ondernemerschap bij bewoners te ontwikkelen en tegelijkertijd de buurt te verbeteren door leegstand aan te pakken. Ze zijn gestart in Neukölln. Stefanie Raab: “Buiten de S-bahn wonen in Neukölln 100.000 rijken; binnen de S-bahn wonen er 150.000 armen. We zijn gegaan naar wijk in Berlijn waar de nood het hoogst is.” De Argentur startte er in twee jaar tijd maar liefst 150 nieuwe modewinkels, naaiateliers, galeries, cafés, jongerenvoorzieningen, muziekclubs en vooral allerlei nieuwe hybride publieksformules die deze ingrediënten op allerlei manieren combineren.
Het is wijkeconomie in zijn meest pure vorm. Stefanie werkt als bemiddelaar, Maria als coach. Stefanie bemiddelt met de talrijke families (zo’n 1.000 in heel Neukölln) die elk een pand in een stadsblok bezitten, meestal met een leegstaand winkelpand in de plint. Ze verleidt de eigenaren om op lange termijn te denken over hun bezit: sta toe dat nieuwe huurders in ruil voor elke euro investering in het pand ook een euro minder huur betalen. Tijdelijk leidt dat tot minder inkomsten maar uiteindelijk tot een huurder die lang blijft.
De bewoners verleidt ze tot ondernemerschap. Ze zoekt naar bewoners die net voor de drempel staan om ondernemer te worden. Ze laat ze bewust eerst zelf investeren in het pand. “Als mensen geïnvesteerd hebben, zijn ze daarna hypergemotiveerd om ook ondernemer te blijven.” De huurders moeten zelf met de eigenaren onderhandelen. “Als een eigenaar meer dan € 5 per m2 per maand vraagt dan komt hij ons project niet binnen. Maar de rest van de onderhandelingen moeten de huurders zelf doen.” Elke euro investeren is een euro minder huur. In 2,5 jaar tijd hebben ze inmiddels 150 panden vol gekregen. Toegegeven, zonder minimumloon en met salarissen van €2 per uur is de drempel om iets te beginnen laag. Maar toch lijkt de aanpak zonder subsidie bijzonder goed te werken: van de 150 nieuwe huurders is er na 2,5 jaar nog geen één failliet gegaan.
Berlijn heeft als autonoom Land in Duitsland onder druk van de crisis een nieuwe, veel flexibeler ruimtelijke ordeningssysteem weten in te voeren. Alle panden zijn min of meer bestemmingsvrij; cafés of winkels hoeven niet gescheiden. Panden kennen daardoor een totale menging met bedrijven op verdiepingen, alles dwars door elkaar. De panden in Neukölln hebben door hun asymmetrie vaak aan de ene kant van de deur 25 m2 ruimte, aan de andere kant 75 m2. Ook dit doorbreekt de uniformiteit en maakt dat er voor elk wat wils is.
Aan de huurderskant wordt deze veelvormigheid beantwoord met een totale hybridisering: is iemand nu caféhoudster, poppentheaterspeelster, sociaal werkster, kunstenares, of onderneemster? Vele huurders zijn creatief, ondernemer en sociaal tegelijk.
Raab en Richarz nemen bewust zelf geen risicodragend aandeel, ze bemiddelen, begeleiden en coachen. Daaraan vooraf gaat wat Stefanie Raab “moderierte Begehung” noemt: met een grote groep kandidaat-huurders bezoeken ze in één keer 10-15 leegstaande panden. Vanaf het begin vinden de initiatiefnemers elkaar hierdoor. De afspraak is dat alle panden in één klap open gaan, zodat ze in één keer een grote impact hebben op de omgeving.
Belangrijk voor het succes zijn natuurlijk de initiatiefneemsters zelf. Stefanie Raab wordt gedreven door een pure overtuiging over wat nodig is en is ze van het zeldzame soort dat denken en doen weet te verenigen. Al rondleidend spoort ze haar huurder nog aan om nu na een jaar toch echt de glasverzekering te gaan regelen. Ze is zelf in de wijk aanwezig, duikt in de haarvaten, weet wat noden zijn.
Het project zelf wordt wel bekostigd uit € 20.000 subsidie die per Kriez van 10.000 inwoners binnen Neukölln uit het sociaal plan komt. Buurtraden van bewoners mogen zelf beslissen hoe ze hun kwart tot half mln willen besteden, mits het wordt verdeeld over 5 thema’s waar wijkeconomie er één van is, weer onderverdeeld naar bestaande en nieuwe economie).
Door de 150 nieuwe winkels en gevulde plinten komen er nu nieuwe klanten van buiten de de buurt naar binnen. Om deze reden verwelkomen ook de al zittende ondernemers het project. De groei van de wijk is overigens een balans die Stefanie Raab nauwkeurig in de gaten houdt. “Zodra het neigt naar gentrification stoppen we en gaan we ergens anders aan de slag. We willen geen gentrification van de wijk, want die gaat in tegen de zittende bewoners. Hooguit streven we wel naar gentrification van de kunstenaars en sociale ondernemers. Als ze zelf yup worden hoeven ze niet te vertrekken als het beter gaat.”
Overigens hanteren de moeders van de tijdelijkheid zelf dat begrip niet meer. Ze ontdekten gaandeweg dat de zwischennützung een nieuwe, permanente aanpak van stedelijke ontwikkeling inluidt. Het is niet meer de tijd tussen de oude en de nieuwe situatie, de stedelijke ontwikkeling verloopt gewoonweg veel organischer. Er dient zich een nieuw, coöperatief model aan van stedelijke ontwikkeling. Het keert terug in de nieuwe naam van de voormalige Argentur: ‘Coopolis’, planningsbureau voor coöperatieve stadsontwikkeling. De stadsontwikkeling is van iedereen.
Meer weten
Dit artikel is ontstaan dankzij een inspirerende reis georganiseerd door bureau Nieuwe Maan en mede op initiatief van de Noorderparkkamer. Deelnemers kwamen van Ymere, Stadgenoot, DMO Amsterdam en Twijnstra Gudde. Veel dank gaat ook uit naar Vincent Kompier voor zijn inspirerende rondleiding in Berlijn en Suzanne Roos voor haar foto's.
Lees ook: plintenstrategie Stipo
Contactpersoon: Hans Karssenberg
Klik hier om Hans een mail te sturen
Of klik hier voor de contactgegevens van Stipo