Team voor stedelijke ontwikkeling
Zoek >
Aanmelden nieuwsbrief >
English
Leestekst A A
home
STIPO is
STIPO biedt
Stad & Mens
Stad & Cultuur
Stad & Economie
Stad & Ruimte
- Projecten
- Verdieping & Inspiratie
Stipo Academy
StadsLAB
Stadsgeruchten
Partners
Agenda

Kunnen mensen leven in een stad zonder architectuur?

Hoe psychologie en architectuur verbonden zijn

De studievereniging van de opleiding Architectuur van de TU Eindhoven organiseerde een hele week over het thema 'Geen Architectuur'. Met dit onderwerp wilden zij de grenzen opzoeken van de architectuur. Hiervoor nodigden zij sprekers uit die vanuit een andere blik naar de architectuur kijken en organiseerden zij in samenwerking met OMA een tentoonstelling. Stadspsycholoog Sander van der Ham werd gevraagd een lezing te geven over het onderwerp vanuit de psychologie. Hieronder kunt u de lezing in zijn geheel lezen.

Architectuur en psychologie

De stad kenmerkt zich door een enorme diversiteit aan gebouwen. Hoog en laag, verschillend gekleurde gebouwen en gebouwen met verschillende stijlen. Ook zie je een variëteit aan pleinen en andere ingerichte ruimtes. Dit zijn de producten van de architectuur. Ze bepalen het uiterlijk en de uitstraling van de stad. Het maakt bijvoorbeeld de grachtengordel van Amsterdam uniek. Maar ook het centrum van Rotterdam herkennen we aan de kenmerkende architectuur.

De gebouwen en ingerichte ruimten, die de uitstraling van de stad bepalen, zijn slechts één kant van de stad. Aan de andere kant staat namelijk het leven van de mens. Waar de architectuur de fysieke stad creëert, geeft de mens hier invulling aan. Met activiteiten kleurt de mens de gebouwen en ingerichte ruimten van steden.

Wanneer we daarom nadenken over de vraag wat architectuur en de mens met verbindt, dan komen we tot twee conclusies. Ten eerste dat de mens door de architectuur wordt beïnvloedt. De mens geeft kleur aan de stad met zijn activiteiten maar hij kan dit alleen doen wanneer er een gebouwde omgeving is. De architect is verantwoordelijk voor het ontwerpen van deze gebouwde omgeving. Hiermee bepaalt hij daarom het kader en de voorwaarden waarbinnen de mens de stad kleurt. Gebouw en mens zijn met andere woorden verbonden. Wanneer het gebouw verandert dan verandert (het gedrag van) de mens mee en vice versa.

Geen Architectuur?

Een tweede verbinding is dat de architect zelf mens is. Vaak woont hij zelf in de stad en heeft hier eigen gedachten en ideeën over. Dit speelt een rol tijdens het ontwerpproces, maar het gaat ook verder. Als mens beïnvloedt de architect de stad. Als we op deze manier naar de architect kijken dan is hij, net als ieder ander stadsmens, net zo goed onderdeel van de dynamiek van het stadsleven. En net als de mens die kleur geeft aan de gebouwen en ruimten die de architect ontwerpt, geeft de architect als mens dus ook kleur aan de stad.

In dit essay beschrijf ik deze twee verbindingen tussen de architectuur en de mens. Dit doe ik als stadspsycholoog. Om te beginnen geef ik een korte toelichting op het vak van de stadspsychologie. Daarna beschrijf ik de invloed van de architectuur op de mens en het leven in de stad. Vervolgens schijn ik licht op de tweede relatie tussen architectuur en mens, namelijk de manier waarop de mens met zijn activiteiten kleur geeft aan de stad. In sommige gevallen doorbreekt de mens dan zelfs het kader dat de architect met zijn ontwerp mee gaf.

De mens in de stad is voor mij het uitgangspunt. Bij het beschrijven van de architectuur zal ik dit daarom ook vanuit het perspectief van de individuele mens doen. Hierbij is echter onvermijdelijk om een oordeel te hebben over de architectuur. Deze oordelen zijn individuele conclusies die niet bedoeld zijn als afbreuk van de beschreven architectuur.

De Stadspsychologie

De stadspsychologie baseert zich op de interactie tussen de gebouwde omgeving en de mens. De bebouwing beïnvloedt. Omgekeerd beïnvloedt de mens ook hoe de bebouwing er uitziet en wordt gebruikt.

Deze complexe relatie tussen de mens en de omgeving is het uitgangspunt van de stadspsychologie. Het gaat over de zoektocht naar de psychologie van de individuele stadsbewoner. Dit gaat over de vraag wat de stadsbewoner gelukkig maakt?

Geen Architectuur?

Helaas is deze vraag niet of moeilijk te beantwoorden. Er bestaat geen algemeen of gemeenschappelijk geluk. Is geluk immers niet heel individueel? Zo maakt een groot plein bepaalde mensen gelukkig terwijl een straat met hoogbouw juist anderen gelukkig maakt. Toch is de vraag hulpvol. Wanneer het geluk van het individu centraal staat dan kunnen we ons afvragen wat het betekent voor de gebouwde omgeving. Wat is er bijvoorbeeld voor nodig om het individu (of de meeste individuen) op hun gemak te laten voelen? Welke elementen van de gebouwen en de geplande omgeving dragen hier aan bij?

Deze vragen worden bovendien steeds belangrijker. Steeds meer mensen trekken naar de steden, zoals we in China zien. Hier zullen de komende jaren 40 nieuwe steden van 1 miljoen inwoners ontstaan. Bovendien ontstaat er een stedelijk gebied van ongeveer 480 miljoen inwoners. Kunt u het u voorstellen? Altijd mensen, beweging, drukte, licht en geluid. Kunt u zich voorstellen wat dit betekent voor het individuele geluk? Het verlangen dit beter te begrijpen is de ontstaansreden van de stadspsychologie.

Het leven in steden is als gevolg niet altijd prettig. Er is meer geluid, meer drukte, er zijn meer geuren en veel verschillende mensen, etc. Nu er steeds meer mensen (soms gedwongen) naar de stad trekken (sinds vorig jaar woont meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijke gebieden) roept dit bij mij de vraag op hoe het leven in de stad van invloed is op de individuele mentale gezondheid en beleving van de mens.

Geluidsonderzoek

Een mooi voorbeeld hoe de stad de beleving van de mens kan beïnvloeden vind ik het onderzoek naar geluid. Het blijkt namelijk dat het geluid in de stad steeds harder wordt. Dit komt hoofdzakelijk doordat er steeds meer lawaaiige apparaten in de publieke ruimte zijn. Denk maar aan de gemeentewerker die bladeren met een blower op komt ruimen of de glazenwasser die tegenwoordig standaard een elektrische hoogwerker of hogedrukspuit bij zich heeft.

Het geluidsonderzoek van Kees Went leert ons dat geluiden zich opstapelen. Waar in de natuur ieder dier een eigen frequentie gebruikt werkt dit in de stad niet zo. Auto's hebben bijvoorbeeld niet een andere frequentie dan fietsers, ze maken simpelweg meer geluid en overstemmen daarmee andere geluidsveroorzakers.

Geen Architectuur?

Hoewel deze opeenstapeling van geluid voornamelijk onprettig is om te horen, het is immers lawaai, blijkt ook dat het geluid van invloed is op het gedrag van de mens. Een mens kan slechts een bepaalde hoeveelheid prikkels (visuele stimuli, geluid, geur, etc.) tegelijk verwerken. Wanneer deze hoeveelheid prikkels te groot word dan kan dit twee consequenties hebben: je wordt er door overladen of je sluit je er voor af (Bell, Fisher, Baum & Greene, 2005).

In het eerste geval kun je kun je voorstellen dat je in een zeer luidruchtige ruimte bent. Je kunt je niet afsluiten voor dat wat je hoort en wat je ziet. Het betekent bijvoorbeeld ook dat je je niet kunt concentreren.

Wanneer de stimuli niet te overheersend zijn kun je ook kiezen om je af te sluiten voor de omgeving. Een bijzondere en steeds vaker voorkomende manier van afsluiten voor omgevingsgeluid is het dragen van een iPod terwijl je over straat loopt.

Denk maar eens aan de iPod drager. Wat betekent het afsluiten nu eigenlijk? Wanneer je je afsluit voor harde geluiden van passerende trams of voorbijrazende auto's sluit je je ook af voor de sociale interactie met andere stadsgenoten. Veel en harde geluiden zijn dus, naast de invloed op het individu, indirect ook van invloed op de sociale beleving van de stad.

Langs drukkere autowegen zullen zich minder mensen ophouden. Het is immers een onprettig geluid. Dit terwijl stromend water, zoals een fontein, juist een prettig geluid geeft (niet iedere vorm van stromend water is overigens prettig, het moet niet harder zijn dan het volume van praten). Mensen zullen zich daarom eerder rond dit soort plekken bevinden. Op deze manier is de hoeveelheid en het soort geluid van invloed op de manier van sociale interactie.

De kennis over geluid laat ons op een andere manier kijken naar de inrichting van de openbare ruimte. Het betekent bijvoorbeeld dat we ervoor moeten zorgen dat we naast drukke plekken ook geluidsarme plekken in moeten richten. Deze geluidsarme plekken zullen tegelijkertijd dan ook de plekken zijn waar het voor mensen makkelijker en aantrekkelijker is om met elkaar in contact te komen. Geluid speelt dus een belangrijke rol bij het ontwerpen van gebouwen, wijken en steden. Geluid beïnvloedt de beleving.

Net als geluid draagt ook de architectuur bij aan de beleving van een plek. Vandaag zoek ik naar die rol van de architectuur. Naar mijn idee kan dit op twee manieren. Ten eerste door gebouwen en ruimten te ontwerpen die prettig zijn om te zien, die passen in de omgeving en die de mensen uitnodigen tot het gebruik ervan (de beleving van de ruimte als gevolg van esthetische aspecten). In dit geval geeft de architectuur en is het individu de ontvanger.

Ten tweede gaat dit over de identiteit, het zelf, van het individu. De mens is geen tabula rasa. In de interactie met de gebouwde stad en het sociale contact met anderen ontwikkelt het individu een ‘publiek zelf'. Dit publieke zelf is het referentiekader om bepaalde keuzes te nemen. Zoals waar te wonen of welke kleren te dragen. Maar het bepaalt ook tot welke sociale groep we ons verbonden voelen.

De harde stad

We kunnen het onderscheid maken tussen de harde en de zachte stad. Dit kan, ten onrechte, de indruk opwekken dat ik architecten reken tot de harde kant van de stad. Architecten leven zelf juist vaak in de stad en behoren daarmee persoonlijk tot het domein van de zachte stad. De producten die zij maken, zijn wel altijd onderdeel van de harde stad. Ik kijk daarom eerst naar deze producten en de manier waarop deze de beleving en het gedrag van de mens beïnvloeden.

Ontwerpers creëren gebouwen volgens een ideaal van schoonheid dat bij zou moeten dragen aan het geluk van de mens. Uit deze zoektocht naar schoonheid ontstaat een diversiteit aan gebouwen. Sommigen zullen deze gebouwen mooi vinden, anderen juist niet en een ook zullen er gebouwen ontworpen worden die snel in de vergetelheid raken. Maar waarom is een mooi gebouw eigenlijk zo belangrijk?

Geen Architectuur?

Henri Snel, architect en hoofd van de opleiding Architectonisch Ontwerp aan de Rietveld Academie, vindt dat een gebouw moet intrigeren. ‘Er zijn altijd mooie en lelijke gebouwen', zegt hij, ‘maar dat is niet het belangrijkst. Het gaat er juist om dat een gebouw iedere keer weer blijft interesseren, dat je iedere keer weer uitgedaagd wordt om er naar te kijken, en je steeds weer nieuwe elementen ontdekt. Wanneer dit zo is dan ik zelfs genieten van een lelijk gebouw, zolang het me maar intrigeert.'

Dit zoeken naar schoonheid en het vermogen om te intrigeren is belangrijk. De gebouwde omgeving heeft invloed op het gedrag en gevoel van de mens. Het blijkt bijvoorbeeld dat mensen anderen positiever beoordelen wanneer zij in een mooie, goed verlichte en mooi ingerichte ruimte zitten dan wanneer zij in een ‘lelijke' kamer zitten, zoals een kast met schoonmaakspullen (referentie). Bovendien blijkt dat mensen een beter humeur hebben en zich meer op hun gemak voelen in mooi ingerichte ruimtes. En uiteindelijk blijkt dat mensen behulpzamer zijn naar anderen wanneer zij zich in een mooie ruimte bevinden (referentie). Het roept de vraag op hoe een mooie ruimte of een mooi gebouw ontstaat?

Psychologie in het ontwerpproces

Wanneer we naar het ontwerpproces kijken zien we dat een gebouw aan minimaal drie voorwaarden moet voldoen: bruikbaarheid (functionele kwaliteiten: waar wordt het gebouw voor gebruikt? Voor wie?), stevigheid (is het sterk genoeg?) en esthetisch (Is het mooi? Nodigt het uit?) (Lang, 1987). Een architect zal in zijn ontwerpen altijd deze drie elementen mee moeten nemen. Dit betekent dat een architect niet alleen nadenkt over de constructie van het gebouw en de materialen die gebruikt worden, maar ook over de invloeden op bijvoorbeeld het gedrag. In de psychologie zijn dit over elementen zoals kleur, verlichting, privacy en inrichting Het zijn belangrijke elementen die bijdragen aan de functie, de beleving van het gebouw en de interactie tussen het gebouw en de omgeving.

De psychologie geeft een aantal ideeën over waar je als ontwerper rekening mee kunt houden. Ten eerste zorg voor grote ramen. Ramen worden voor verschillende zaken gebruikt zoals ventilatie, als bron van weerinformatie, de mogelijkheid mensen te zien, als temperatuurregulatie en om psychologisch de drukte te ontvluchten. Twee functies van ramen lijken het meest van belang: het zorgen voor (zon)licht en naar buiten te kunnen kijken.

Het onderzoek naar de healing environments toont aan dat patiënten in ziekenhuizen die een breed uitzicht hebben (door een groot raam) daar positieve op reageren. Zo herstelden zij sneller, gebruikten minder medicatie en evalueerden zij de verzorging positiever.

Geen Architectuur?

Ook moeten we nadenken over kleur. Hiermee bepalen we namelijk een groot gedeelte van de beleving van de ruimte. Het zal niet verbazen dat een ruimte met een lichte kleur wordt gezien als groter en meer open dan ruimtes met een donkere kleur.

Ook het kunstmatig licht zou in het ontwerp een rol moeten spelen. Hoewel licht geen directe invloed heeft op stemming, prestaties en gezondheid bepaalt het wel in grote mate de sfeer, en dus de beleving, van de ruimte. Wanneer er veel en fel licht is ervaren mensen een ruimte als minder intiem. In tegenstelling tot wanneer er minder en minder fel licht is. Ook heeft de hoeveelheid licht invloed op het gedrag. Mensen gaan bijvoorbeeld zachter, en soms zelfs minder, praten in ruimtes met minder licht. Een restaurant met sfeerverlichting is hier een uitstekend voorbeeld van.

Tenslotte kunnen we nadenken over de inrichting van de openbare ruimte of de ruimte in een gebouw. Wanneer we daar meubilair in plaatsen dan moeten we rekening houden met de functie die we mee willen geven aan de ruimte. Willen we ontmoeting stimuleren dan zullen we de banken niet aaneengeschakeld aan de rand van een plein of tegen een muur moeten zetten. Dit vermindert juist de kans op interactie. Wanneer we banken zo neerzetten dat mensen de kans krijgen om elkaar te zien dan wordt de kans op interactie ook groter.

Ook groen speelt bij de inrichting van een ruimte een belangrijke rol. Uit het onderzoek naar healing environments blijkt dat patiënten minder lang in ziekenhuizen verblijven en minder medicatie gebruiken wanneer er veel groen is.

Dit zijn voorbeelden waarop de manier van inrichten en de elementen in de ruimte het gedrag en gevoel van mensen direct kunnen beïnvloeden. Voor ontwerpers handige en noodzakelijke instrumenten om tijdens het ontwerpproces te gebruiken.

Architectuur en geluk

Ook vanuit andere hoeken denkt men na over de esthetiek van gebouwen en de invloed ervan op de mens. Filosoof Alain de Botton vraagt zich bijvoorbeeld af of er een relatie bestaat tussen de esthetiek van een gebouw en het geluk van de mens. Deze zoektocht beschrijft hij in zijn boek ‘The Architecture of Happiness'. Hij komt tot de conclusie dat het vrijwel onmogelijk is gebouwen te ontwerpen en bouwen die ieder mens mooi vindt. Er is namelijk geen algemene richtlijn voor. Ook veranderen de maatschappelijke opvattingen over wat mooi is continu.

Hij stelt zich wel de vraag hoe we dan toch kunnen begrijpen dat mensen zich prettig voelen bij bepaalde gebouwen en ruimten en bij andere gebouwen en ruimten juist niet. Volgens Alain de Botton is dit een intuïtief proces. Het beschrijven van dit intuïtief proces is te complex. Pogen het te doorgronden kunnen we wel. Dit doorgronden ziet hij als de kerntaak van de architect. Hij beschrijft hier vijf deugden van gebouwen waar de architect rekening mee moet houden.

Geen Architectuur?

Orde
Een goede ordening van de elementen, zoals in rue de Castiglione in Parijs, waar beide kanten van de straat op een identieke manier zijn gebouwd. Hier spreekt een ordening uit.

Harmonie
Harmonie ontstaat wanneer twee tegenpolen samen komen. Bijvoorbeeld natuur en wonen. Door natuurlijke elementen te gebruiken kan een woning naadloos aansluiten bij de omgeving.

Elegantie
Elegantie gaat over de indruk die het gebouw of de constructie op ons maakt. De Salgatinobel-brug is hier, volgens de Botton, een mooi voorbeeld van. De constructie roept het gevoel op dat de brug moeiteloos en met een grote behendigheid een enorme last draagt. Dit maakt de constructie elegant. Het verbergt als het ware de zware last die het draagt.

Samenhang
Het gaat er hierbij om dat een gebouw niet alleen maar een opeenstapeling wordt van identieke verdiepingen. Een goed voorbeeld hiervan zijn wolkenkrabbers, zoals het Woolwirth Building in New York. Het gebouw is niet simpelweg een opeenstapeling van identieke lagen. Hoe hoger het gebouw wordt hoe meer dit door de vorm geaccentueerd wordt. Dit geeft een grote samenhang, zeker wanneer de architect orde aanbrengt in de stijl.

Zelfkennis
Het is belangrijk dat het gebouw aansluit bij de omgeving. De zelfkennis gaat er in dit geval dus om dat de architect het gebouw een plek weet te geven die past bij de dynamiek van de omgeving.
De deugden die de Botton beschrijft komen ook terug in de psychologie. Het zijn elementen die bijdragen aan een logisch en begrijpelijk patroon. En dat lijkt daarmee ook de kern te zijn. Door te ontwerpen vanuit deze deugden ontstaat een patroon dat voor een individu geordend en logisch is. Hierdoor kunnen we een gebouw of een ruimte mentaal beter verwerken. We ervaren en voelen de omgeving zonder overladen te worden door een enorme hoeveelheid aan stimuli.

Deze esthetische deugden samen met de handreikingen uit de psychologie bieden inzicht in de manier waarop een gebouw de mens emotioneel en gedragsmatig kan beïnvloeden. Daarmee kan het bijdragen aan de vormgeving van een gebouw.

Meer dan stenen stapelen

Tot nu toe beschreef ik de relatie tussen de gebouwde omgeving en de mens. Het blijkt dat het uiterlijk van een gebouw de beleving van en het gedrag in een ruimte beïnvloedt. Dit suggereert een architectonisch determinisme. Namelijk dat de fysieke omgeving al het gedrag van de mens verklaart. Hiermee ontstaat echter een onterechte versimpeling van de werkelijkheid. We gaan namelijk voorbij aan de invloed van sociale, economische en culturele factoren. Een gebouw is meer dan het stapelen van stenen.

Een mens komt in een ruimte met een eigen referentiekader, gedachten en gevoelens. Deze beïnvloeden, net als de architectuur, de beleving. Naast de harde kant is het daarom ook noodzakelijk om de zachte kant van de stad, het leven van de mens in de stad, te onderzoeken. En de manier waarop de mens de stad beïnvloedt.

De zachte stad

Neem bijvoorbeeld de Kalverstraat in Amsterdam, de Lijnbaan in Rotterdam en de Oude Gracht in Utrecht. Kijken we naar de architectuur dan zijn dit drie compleet verschillende straten. Maar wat blijkt? We moeten aardig wat moeite doen om de architectuur te zien. We moeten namelijk eerst door felle Neonteksten en grote reclameborden heen kijken. We kunnen het opvatten als een 2de laag architectuur, als ornamenten. Maar er lijkt een andere boodschap uit te spreken. Want als we de reclameborden geloven dan wonen er in iedere stad precies dezelfde mensen met precies dezelfde behoeften. Volgens de grote retailers hebben we allemaal behoefte aan hetzelfde. Identiteit is niet langer individueel, het is massa. Maar speelt onze eigen identiteit dan nog een rol? En hoe?

Geen Architectuur?

Identiteit en plaats

Alain de Botton komt in zijn boek ook tot de conclusie dat onze identiteit nauw verbonden is met de plek waar we zijn. Ook Richard Florida benoemt dit in zijn boek ‘Who's Your City'. Hij zoekt naar een relatie tussen persoonlijkheidskenmerken en de plek waar mensen wonen. Tenslotte beschrijft Jan-Hendrik Bakker in zijn boek ‘Welkom in Megapolis' de relatie tussen de plek die we thuis noemen en wie we zijn.

Bakker ziet voor de architectuur een belangrijke rol weggelegd in het verbinden van de plek die we thuis noemen en wie we zijn. De architectuur, zo zegt hij, kan ervoor zorgen dat de relatie tussen identiteit en de plek waar we wonen behouden blijft. (De wereldwijde verstedelijking heeft tot gevolg dat, ook voor de Randstad, de open (groene) gebieden tussen (grote) steden steeds meer worden gebruikt voor grootschalige woningbouw, zoals Vinexwijken. De architectuur in deze wijken kenmerkt zich vaak door een soort ‘plaatseloosheid'.) De relatie met de cultuurhistorie van de plek ontbreekt vaak. Met als resultaat monotone of zielloze architectuur.

Henri Snel is terughoudender over de rol van de architectuur. ‘De architectuur', zo zegt hij, ‘kan op zichzelf de mens niet gelukkig maken. Wel kan het bijdragen aan de identiteit van een persoon en de plek.' De architect kan hierin bemiddelen.

De keuze voor de stad

Hoe kunnen we dan verder kijken naar de relatie tussen de plek waar we wonen en wie we zijn? Richard Florida onderzoekt in zijn boek ‘Who´s Your City' de reden waarom mensen voor een stad kiezen. Hij concludeert dat mensen een stad kiezen op basis van vijf redenen: fysieke en economische zekerheid, de basis voorzieningen, leiderschap, de waarden/normen en tenslotte de esthetische waarden van de stad. Dit is interessant. Voordat de esthetiek een rol begint te spelen in onze beslissing moet eerst worden voldaan aan vier andere voorwaarden. De vijf redenen die Florida geeft lijken te impliceren dat we ons in de eerste plaats thuis moeten voelen, verbonden moeten voelen aan met de stad. Hoe de stad eruit ziet speelt wel een rol, maar niet de belangrijkste. We moeten ons, met andere woorden, kunnen identificeren met de stad en de omstandigheden waar we in wonen.

Geen Architectuur?

Florida onderzoekt dit verder. Hij zocht vervolgens naar de samenhang tussen de persoonlijkheidskenmerken van The Big Five en de stad waarin de onderzochte woonde. Uit zijn onderzoek (dat hij samen met Rentfrow & Gosling uitvoerde) concludeert Florida dat er inderdaad een samenhang is tussen de mens en de stad waarin hij woont (in de Verenigde Staten). Zo wonen in de regio van New York voornamelijk mensen die hoger scoren op Neuroticisme en Openheid voor ervaringen, terwijl in de regio van Florida en Georgia juist de mensen wonen die hoger scoren op Zorgvuldigheid en Meegaandheid.

Voor een aantal steden buiten de Verenigde Staten voerde Florida dit onderzoek ook uit. Een voorbeeld hiervan is Utrecht. Zo blijkt dat Utrecht zich kenmerkt door mensen die voornamelijk extravert zijn, in redelijke mate openstaan voor ervaringen en tegelijkertijd weinig neurotisch zijn. Maar wat zeggen deze resultaten nu eigenlijk?

Het onderzoek van Florida kunnen we niet absoluut opvatten. Zo zullen Eindhoven en Rotterdam net zo goed als Utrecht een groep inwoners hebben die zich kenmerkt door extraversie en emotionele stabiliteit. En ook Amsterdam zal een groep inwoners hebben die Openstaat voor ervaringen.

Interessant aan de uitkomsten van het onderzoek is echter dat er een correlatie bestaat tussen de stad waar we wonen en onze persoonlijkheid. Daarmee lijken de resultaten te zeggen dat een individu zich op een bepaalde manier verbonden voelt, zich herkent in en zich gewaardeerd voelt in de stad waar hij woont. Hij voelt zich met andere woorden thuis.

Identiteit maakt thuis in de stad

Jonathan Raban gaat hierin nog een stap verder. Hij zegt namelijk dat we ons niet alleen thuis voelen door onze persoonlijkheid maar dat we de stad ons thuis maken met onze persoonlijkheid.
In zijn boek ´Soft City´ beschrijft hij tools waarmee de mens de stad kan maken op een manier die hij prettig vindt. De mens doet dit vanuit hoe hij zichzelf ziet en profileert. Zo zegt hij dat ‘het individu in de stad de producten die hij koopt steeds meer gebruikt als vorm van zelf-projectie'. Het voedsel dat we consumeren, de auto waar we in rijden en het huis waar we in wonen zijn allang niet meer producten die we nuttigen, gebruiken en kiezen op basis van hun functionele eigenschappen. Deze producten vertellen namelijk een verhaal. Ze vertellen het verhaal over onszelf, over de identiteit van de persoon die ze koopt.

Raban noemt dit de metafoor van de ‘Marokkaanse vogelkooi'. In de plint van het gebouw waar hij woont bevinden zich allerlei winkels, cafés en restaurants. Op een gegeven moment opent er ook een winkeltje dat Marokkaanse vogelkooien verkoopt. Tot zijn verbazing zijn er altijd wel mensen die in deze winkel een vogelkooi komen halen. Hij vraagt zich af waarom mensen dit doen. Hij concludeert dat ze de producten niet kopen omdat ze het nodig hebben. Maar eerder omdat de producten iets zeggen over hun persoonlijkheid. Hun zelf.

Geen Architectuur?

Raban legt dit uit aan de hand van het voedsel dat we consumeren. Hij verdeelt dit onder in twee categorieën. Ten eerste het voedsel dat we consumeren vanwege de voedingswaarde en de investering in ons lichaam. Ten tweede het voedsel dat, naast de voedingsfunctie, een verhaal vertelt over wie we zijn of willen zijn. De producten uit deze twee categorieën hebben vaak overeenkomstige karakteristieken, zoals de voedzaamheid en de structuur. Denk hierbij aan een pompoen en een meloen . Het verschil tussen deze twee producten zit in de herkomst. Een meloen komt van ver en wordt daarmee gezien als een luxe product.

Het vertelt anderen daarmee iets over de koper en gebruiker van het product. Het zijn met andere woorden producten waar het gaat om de aanschaf en het bezit ervan, en niet de consumptie. Raban noemt het ‘de noodzakelijke kunst van urban zelfprojectie waarmee het individu de stad verandert'.

Identiteit en de inrichting van ruimte

Deze gedachte schijnt een nieuw licht op de inrichting van de ruimte. Wanneer een mens op deze manier de ruimte beïnvloedt dan is ruimte altijd flexibel of gelaagd. De ruimte moet de dynamiek van het stadsleven faciliteren. De graffiti-artist is hier een expliciet voorbeeld van, maar ook de skateboarder. Iain Borden schrijft over skateboarders het volgende in zijn korte essay over het publiek domein:

‘De skateboarders hebben zich sinds de jaren '60 tot een volwaardige stedelijke subcultuur ontwikkeld. Het publieke optreden van skateboarders kan worden gezien als impliciete kritiek op wat publieke ruimte is en hoe die moet worden beheerd. Skateboarders geven met hun acties op diverse manieren aan dat het bij architectuur niet louter hoeft te draaien om grote monumenten en publieke pleinen, maar dat die ook een verzameling micro-ruimtes kan zijn en dat publieke ruimtes niet alleen voor uitwisseling zijn maar ook voor gebruik, dat je het publieke domein moet kunnen gebruiken ongeacht wie je bent of wat je bezit, en dat de manier waarop we dat doen een essentiële factor is in hoe we onszelf zien.'

Borden maakt hier twee interessante opmerkingen. Ten eerste dat de stad niet alleen bestaat uit ‘grote monumenten en publieke pleinen', maar dat de stad ook bestaat uit kleine gebruiksruimten. Deze geven we vorm door alle activiteiten die we in de publieke ruimte ondernemen. Hiermee vormen we de stad naar onze eigen specifieke wensen, oftewel onze eigen persoonlijkheid. De Franse filosoof Henri Lefebvre verwoordt dit als volgt: ‘ruimte is ons niet door God, de natuur of stedenbouwkundigen gegeven, maar wordt geproduceerd door ons allemaal. Kortom we maken met z'n allen het publiek domein ...'.

Geen Architectuur?

Lefebvre benoemt hier de micro ruimten van Borden. In het grote geheel van de ruimte ontstaan kleine privé domeinen waaraan we een eigen sfeer geven. We doen dit tijdens alledaagse activiteiten zoals lopen of fietsen naar werk of wanneer we een ‘terrasje pakken'. Maar ook explicieter wanneer we meelopen in de Dance Parade, deelnemen aan Parking Day of wanneer we een LED Throwing Event organiseren op de Prins Clausbrug in Utrecht. En zo zijn er eindeloos veel, meer of minder expliciete, manieren om de openbare ruimte een persoonlijke kleur mee te geven.

De tweede interessante opmerking die Borden maakt is dat de manier waarop we individueel invulling geven aan de publieke ruimte een essentiële factor is in ‘hoe we onszelf zien'. Dit is een observatie die Raban ook maakte. Met de kleren die we dragen, het voedsel dat we eten, de auto waarin we rijden en het huis waar we in wonen dragen we uit wie we zijn. We dragen hiermee ons publieke zelf uit.

Leefstijlen

Je publieke zelf uitdragen door middel van de kleren die je draagt, de auto die je bestuurt en het huis waar je in woont klinkt als leefstijlen. Het is een onderwerp dat de laatste jaren veel aandacht krijgt. We lopen tegenwoordig dan ook niet meer door een woonwijk maar door een woonmilieu. Hierin wonen mensen met een soortgelijke leefstijl in nabijheid van elkaar. Wijken zijn tegenwoordig dus opgebouwd uit verschillende woonmilieus.

Deze leefstijlen zijn ontstaan om de wensen van het individu beter te begrijpen. Waar wil een persoon wonen? Welke mensen wil hij dan graag om zich heen hebben? En aan welke eisen moet de omgeving voldoen. Uit sociale en psychologische factoren worden deze leefstijlen afgeleid. Zo bestaan er de identiteitszoekers, maar ook de comfortzoekers. En in Weert spreekt men over het blauwe, gele, rode en groene woonmilieu. Iedere leefstijl en ieder woonmilieu is gebaseerd op individuele wensen en factoren.

Geen Architectuur?

Bij deze leefstijlen spelen de sociale factoren zoals opleidingsniveau of inkomen een grote rol. Bovendien wordt steeds meer gekeken naar de psychologische factoren, zoals Extraversie/Introversie. En dat is belangrijk, want de keuzes die we maken als individu en de wensen die we hebben worden niet alleen ingegeven door sociale factoren zoals opleiding. Een hoog opgeleide extrovert heeft behoefte aan heel andere activiteiten en woonomgeving dan een hoog opgeleide introvert. En zo zal een wijk waarin tegemoet wordt gekomen aan de Openheid voor nieuwe ervaringen een heel ander type mensen trekken dan een wijk waar dit niet het geval is. Een gedachte die past binnen de stadspsychologie, want het individu staat hiermee aan de basis van de stedelijke ontwikkeling.

Conclusies

Wat kunnen we uit het bovenstaande nu concluderen als het om de architectuur gaat? De architectuur biedt de fundamentele basis van de stad: een plek om te wonen/werken/recreëren/etc. Wel heeft de architectuur een grens. Het is met name de zachte kant van de stad waar de invloed van de architectuur minder wordt maar niet ophoudt. De architect kan wel een gebouw ontwerpen, maar het gebouw op zich verklaart niet al het gedrag van de mens. Een gebouw beperkt zich daarmee tot het faciliteren van de stedelijke dynamiek. Vooraf bedenken hoe een gebouw gebruikt zal worden is onvoorspelbaar en dus erg moeilijk.

Faciliteren in die stedelijke dynamiek, of de zachte stad, is echter wel belangrijk. De zachte stad is het gedeelte van het stadsleven dat men niet kan plannen maar wel stimuleren. Richt gebouwen en ruimtes daarom zo in dat interactie en ontmoeting er vanzelfsprekend of onvermijdelijk worden. Zorg ervoor dat er in het publiek domein micro-ruimtes ontstaan waar ieder individu met zijn activiteiten invulling aan kan geven. Met andere woorden: creëer een podium voor de individuele identiteit.

Om dit te kunnen doen zullen we in de stedelijke ontwikkeling aandacht moeten hebben voor vier waarden.

Langdurige kwaliteit
Het stedelijk gebied moet voldoende flexibel zijn opgezet dat het aanpasbaar is om door de decennia heen te kunnen veranderen, terwijl het toch een sterke samenhang houdt. Dit vereist liefde voor de stad.

Het gebouw moet niet alleen financieel sluiten, maar moet ook daarna een blijvende kwaliteit voor de omliggende stad en de stedelijke samenleving opleveren. Het is bijvoorbeeld minstens zo belangrijk dat het gebouw flexibel genoeg is opgezet om door de decennia heen te kunnen veranderen terwijl het toch een sterke samenhang houdt met de omgeving. En er is nodig dat mensen er voldoende van houden om erin te blijven investeren.

Deze gedachte sluit aan bij wat Henri Snel al opmerkte ‘creëer eerst het verhaal voordat je in vorm denkt'. Bedenk dus eerst wat de randvoorwaarden zijn, het plan van eisen, de wensen van de opdrachtgever en de programmering rondom het gebouw (wat is de functie van het gebouw, hoe is de zichtbaarheid en de bereikbaarheid?), en begin daarna pas met ontwerpen. Het vraagt dan aan de architect om een goede balans te vinden tussen de bruikbaarheid, de stevigheid en de esthetica van een gebouw of ruimte.

Ziel
Steden zijn geen tabula rasa, maar hebben een ziel. Het eigene, soms unieke van stadsgebieden is het vertrekpunt van het ontwerp. Ziel is ruimtelijk, maar ook cultureel. Dit betekent op stedelijk gebiedsniveau zowel ruimtelijk als cultureel verdiepen in wat eigen is aan het gebied, en dat ook in een bredere context van de omgeving bekijken.

Ziel is verleden, maar ziel is nadrukkelijk ook toekomst. Het is dus nooit vasthouden aan gisteren als doel op zich. Soms is het nodig en mogelijk een fors nieuwe ziel in een gebied te creëren. Het ontwikkelen van de bestaande stad lukt het beste waar het lukt om de uniciteit van de plek aan te boren. Dit betekent dus niet zozeer sturen op begrippen als ‘leefbaarheid' of ‘schoon-heel-veilig'. Rome is niet schoon, niet heel en niet veilig, maar het is wel een van de mooiste steden ter wereld.

Geen Architectuur?

Sluit met de architectuur aan bij de ziel van de plek en poog hiermee te voorkomen dat er, de door Jan-Hendrik Bakker geschetste, ‘plaatseloosheid' ontstaat. De lichttoren en het PSV stadion zijn voorbeelden van deze ziel in Eindhoven. Wat betekenen deze iconen voor de stad?

Meervoudig
Benader de stad als gelaagd en gemixt. Waar de stad niet goed functioneert is vaak sprake van monotonie of monocultuur. Kijk vanuit een meervoudig perspectief naar stedelijke gebieden en hun ontwikkeling. Er is niet één discipline die de waarheid in pacht heeft, en ook bij de gebruikers zijn er groepen te onderscheiden die elk hun eigen gebruikswensen en waarheden kennen. Denk hierbij aan de micro ruimten die Borden al benoemde. Een stadsgebied is bovendien nooit af, er is altijd beweging.

Dit betekent bijvoorbeeld dat bij de functionaliteit van een ontwerp de mens het uitgangspunt is en dat de functionaliteit met name gaat over de beleving en het gebruik van het gebouw. Durf je als architect bijvoorbeeld een kantoorgebouw te ontwerpen dat de eerste 10 tot 15 jaar gebruikt wordt als school of woningcomplex? Ook voor de esthetica heeft dit consequenties. Het kan betekenen dat het niet alleen meer om het materiaalgebruik gaat, zoals de kleur en de zichtlijnen, maar dat juist het thuiskomen van mensen centraal staat. Dat de mens, zoals Raban het verwoordde, met de woning waarin hij woont een verhaal over zichzelf aan de buitenwereld vertelt. Met andere woorden dat hij iedere dag weer ‘thuis komt'.

Ook vraagt het aan de architect om zich te verdiepen in de mens, de gebruiker. De eerste stap in het ontwerpproces zou daarom het contact met de gebruiker moeten zijn. Om deze gebruiker als uitgangspunt te nemen kan de architect leefstijlen gebruiken.

Publiek Domein
Tenslotte creëer een sterk publiek domein. Een van de randvoorwaarden om te zoeken naar wat de mens gelukkig maakt in de stad is een sterk publiek domein. Het gaat hier om de totaalervaring die stadsgebruikers hebben vanaf de openbare weg. Daar spelen de gebouwen ook een rol bij. Het gaat daarmee niet alleen maar om de straat, maar ook om de gevels die daarlangs staan. Hoe openbaar zijn die ingericht? Welke samenhang is er? Zijn er sociale ogen op alle tijdstippen op de dag? Hoe is de programmering?

Geen Architectuur?

We moeten op zoek naar trots. Want trots maakt een betrokken, verbonden en verantwoordelijke stadsgebruiker. Iemand die investeert en liefde heeft voor de stad. Volgens Bell, Fisher, Baum en Greene (2005) kunnen we dit doen door gebruikers vanaf het begin te betrekken bij het ontwikkelingsproces. ‘Meebouwen' ziet hij als de kans om verantwoordelijke, verbonden en trotse bewoners te creëren. Het gebruikte materiaal is naar zijn idee namelijk een indicatie van de interpersoonlijke stijl, de creativiteit en de sociale klasse van de gebruiker.

Wat vraagt dit van de architect?

Het vraagt om buiten het eigen vakgebied te kijken. Stedelijke ontwikkeling bestaat niet meer uit het simpelweg ontwerpen van een nieuw gebouw of een nieuwe wijk. Het ruimtelijke wordt steeds minder dominant. Waar de stedelijke ontwikkeling tot 2000 nog voornamelijk ruimtelijk georiënteerd was is dit in 2010 anders. Het ruimtelijke is steeds minder dominant. Met name het sociale, culturele en economische speelt een steeds belangrijkere rol in de ontwikkeling van gebieden. Hiermee wordt juist de functie van het gebouw in het geheel van de omgeving belangrijk. De architect heeft dus net zo goed te maken met de zachte kant van de stad. Belangrijk is dat het gebouw zich daarom integreert in de stedelijke dynamiek.

Ten tweede zal de architect een andere positie in moeten in de stedelijke ontwikkeling. Hij moet de rol van de zogenaamde ‘rode mens' pakken. De rode mens is de bemiddelaar waar Henri Snel over sprak toen hij zei dat ‘de architect het geluk van de mens niet kan maken, maar er wel aan bij kan dragen'.

Geen Architectuur? Geen Architectuur?

Deze bemiddelende rol betekent enerzijds het zoeken naar de uniciteit van de plek, oftewel de combinatie tussen het ruimtelijke, sociale, culturele en economische. En anderzijds alert zijn op lange- en korte termijn ontwikkelingen (komt de functie die het gebouw nu moet krijgen nog overeen met de functie over 10 jaar; zo niet, hoe wordt het gebouw dan toch duurzaam?). De architect wordt hiermee de schakel tussen allerlei informatiestromen, disciplines en gebruikers. Het resultaat: een ontwerp op het niveau van zowel macro- als microruimtes die een podium creëren voor de collectieve- en individuele identiteit.

Geraadpleegde bronnen

Literatuur

  • Alain de Botton (2006), 'The Architecture of Happiness'.
  • Bell, P.A., Fisher, J.D., Baum, A. & Greene, T.C. (2005), 'Environmental Psychology'. 
  • Jan-Hendrik Bakker (2009), 'Welkom in Megapolis'.
  • Jonathan Raban (1974), 'Soft City'
  • Kees Went over geluid in de stad: http://www.ruimtevolk.nl/detail.php?id=224.
  • Richard Florida (2008), 'Who's your city'.
  • S+RO 5/2009, 'Vertrouwde, maar vreemde praktijken' (citaten Iain Borden en Lefebvre).

Gesprekspartners

  • Henri Snel, hoofd opleiding Architecural Design aan de Rietveld Academie.
Inhoud
1.
Architectuur en psychologie
2.
De Stadspsychologie
2.1.
Geluidsonderzoek
3.
De harde stad
3.1.
Psychologie in het ontwerpproces
3.2.
Architectuur en geluk
3.3.
Meer dan stenen stapelen
4.
De zachte stad
4.1.
Identiteit en plaats
4.2.
De keuze voor de stad
4.3.
Identiteit maakt thuis in de stad
4.4.
Identiteit en de inrichting van ruimte
4.5.
Leefstijlen
5.
Conclusies
5.1.
Wat vraagt dit van de architect?
6.
Geraadpleegde bronnen
Print dit artikel
Stuur dit artikel door
Stipo Amsterdam: +31 (0)20-4233690 / Stipo Rotterdam +31(0)10-2041590 / contact@stipo.nl