De interculturele stad en City-making
Het denken over creativiteit, cultuur en de stad leidt vaak tot modieuze tunnelvisies, waarbij creatieven vooral hun economische licht moeten laten schijnen. Dat is jammer, aldus Charles Landry, want cultuur is meer dan economische waarde of de opkomst van de creatieve industrie. Landry pleit ervoor dat een stad de creativiteit van velen inzet om “de meest fantasierijke stad voor de wereld te worden, niet van de wereld.”
Door Roy van Dalm
Ere wie ere toekomt: het was de Engelsman Charles Landry die de term creatieve stad introduceerde en niet, zoals velen denken, Richard Florida. Landry’s befaamde boek The Creative City: a toolkit for urban innovators verscheen in 2000, twee jaar voordat Richard Florida’s Rise of the Creative Class uitkwam. Maar waar Florida de nadruk legt op de economische waarde van menselijke creativiteit, daar gaat Landry uit van de noodzaak van een nieuw, cultureel denken en de inzet van de creativiteit van velen om de grote vraagstukken van de stad op te lossen. Geen economisch verhaal, derhalve, maar een oproep tot een bredere culturele visie.
Wat Florida en Landry echter gemeen hebben, is hun visie op de stad als een complexe biotoop die eerder appelleert aan biologische principes dan aan economische wetmatigheden. En in een samenleving die draait om kennis en creativiteit is dat ook logisch, omdat hij draait om mensen. Simpelweg aan beleidsknoppen draaien om een stad bij te sturen wordt dan steeds moeilijker. Causale verbanden zijn lastig te leggen in een complex, levend systeem. Wie weet of er nog wel B gebeurt als je A doet? Landry heeft de afgelopen twee jaar twee nieuwe boeken gepubliceerd: The Art of City Making en nog geen jaar later The Intercultural City, dat hij samen met Phil Wood schreef. In beide boeken probeert hij de complexiteit van het leven in de stad weer te geven.
Bryant Park, New York – foto Seth W.
De stad als kunstwerk
Charles Landry neemt een slok van zijn koffie in zijn studeerkamer en overpeinst de vergelijking tussen de stad en complexe systemen. “Hmm, daar zit wel wat in. Ik praat over stedelijke ontwikkeling als een kunst en geen kunde, juist vanwege die complexiteit van een stad. Citymaking – naar ik begrepen heb, bestaat daar geen goed Nederlands woord voor – is balanceren tussen orde en chaos. Een stad heeft geen beginpunt en een eindpunt. Citymaking is derhalve een proces, geen eindresultaat. Van een stad bestaat geen eindproduct. De opgave voor een stad is de onderlinge verbindingen te versterken en daarmee het geheel sterker te maken. De cultuur van een stad heeft zoveel aspecten, dat beleidsmakers die nog denken in puur causale verbanden tegen problemen aanlopen. Innoveren in een dergelijke omgeving vraagt om een andere benadering.”
Landry wil dat innovatie in de stad niet langer wordt gezien als een louter economische opgave. “Creativiteit is de afgelopen jaren veel teveel beperkt tot economische creativiteit. In dat geval wordt het alleen maar een concurrentiestrijd tussen steden met de creatieve industrie als inzet. Kijk, die creatieve industrie weet zichzelf natuurlijk goed te projecteren en verkopen, maar het is een modeverschijnsel geworden.”
Museumsquartier Wien, Wenen, foto Hans Karssenberg, Inspiring Cities/Stipo
Voor de wereld
Landry stelt dat steden niet langer moeten proberen de meest creatieve stad van de wereld te zijn, maar de meest fantasierijke stad voor de wereld. Charles Landry: “Het gaat erom dat je de verschillende vormen van creativiteit in een stad op één lijn krijgt, gericht op een bepaald doel. Een hoger doel. Noem het een vorm van duurzame, maatschappelijk verantwoorde stedenmakerij. In de kern van de zaak gaat innovatie en creativiteit in steden om ethische vragen, over wie je wilt zijn voor de wereld of voor je eigen gemeenschap. En ik merk dat de tijd daar rijp voor is. Zo heb ik drie maanden een project gedaan in het Australische Perth en ik merk dat iedereen die daar onder de veertig jaar is een diep verlangen heeft om deel uit te maken van een groter geheel, verbonden te zijn met de stad. Het wordt tijd dat we de stad gaan zien als een collectieve onderneming. Mensen willen zich verbonden voelen met een plek; zet dan ook hun energie in voor de stad.”
In The Art of Citymaking spreekt Landry over het belang van ‘cultural literacy’, culturele geletterdheid. In The Intercultural City, een boek dat gaat over het samenleven van verschillende culturen in een stad, komt hij daar in detail op terug. Landry: “Het gaat om cultureel denken en dan om cultuur in de brede zin des woords, dus de manier waarop wij hier de dingen doen. Elke stad heeft daarin zijn eigen persoonlijkheid en het is van belang die te behouden. Maar die persoonlijkheid is complex, want een stad bestaat uit veel culturen. Culturele geletterdheid betekent dat je je kunt verplaatsen in die andere culturen.”
Daarnaast vindt Landry het van belang dat mensen een gevoel ontwikkelen voor wat hun stad anders maakt. “Het gaat om het gevoel van gebouwen, van de omgeving. Steden in de wereld hebben ieder een andere look and feel. Wanneer je daar gevoelig voor bent, kun je dat versterken. Je moet ervoor waken dat jouw stad in de globalisering teveel op een andere stad gaat lijken. Overal ter wereld is een spanning tussen dat wat hetzelfde is en dat wat anders is in steden. Iedere stad streeft naar een bepaald cultureel voorzieningenniveau, maar bij een bepaald niveau van aanbod gaan steden teveel op elkaar lijken. Onderscheidend is dan alleen nog maar het verschil en dat is die eigen persoonlijkheid. Dat is wat Amsterdam ook Amsterdam maakt.”
The Gödör, Budapest, photo Hans Karssenberg, Inspiring Cities/Stipo
Diversiteitsdividend
Diversiteit levert voordelen op. Teams die diverser zijn samengesteld, leveren betere innovatieprestaties dan homogene groepen. Dit diversiteitsvoordeel geldt ook voor steden, want een gesloten systeem dat weinig diversiteit van buiten toestaat zal op enig moment zijn vermogen verliezen om te vernieuwen. Zo ook een gesloten stad. Echter, culturele diversiteit in een stad is voor Landry een vertrekpunt en niet het einddoel. “Cultuur is een tweezijdig zwaard. Als je er niks aan doet, levert het net zo goed spanningen op. Je mag ook toegeven dat het best lastig is om totaal andere mensen om je heen te hebben. Samenleven gaat niet vanzelf.”
Culturele diversiteit is als een aanrecht met mooie ingrediënten, maar er moet wel mee gekookt worden. Landry: “Als je als stad dividend wilt halen uit je culturele diversiteit, dan zul je er actief iets mee moeten doen. Interculturaliteit vindt daar plaats waar we de ander tegenkomen in een open ruimte. Daar draait het allemaal om. Je bereikt het dus niet in het privé-domein, maar in de openbare ruimte.” Landry noemt in The Intercultural City diverse voorbeelden van Nederlandse projecten die interculturaliteit bevorderen. Enthousiast is hij ook over het langetermijn cultuurbeleid van Amsterdam. “Dat is echt anders, in heel andere termen gedefinieerd dan wat je vaak ziet als cultuurbeleid. Het is open, het heet welkom en richt zich op wat het betekent om Amsterdammer te zijn. Dan kom je bij de stad als gezamenlijke inspanning, als collectieve onderneming. En dat is de kern.”
Sentralistanbul, Istanbul, photo Hans Karssenberg, Inspiring Cities/Stipo
Over dit interview
Charles Landry werd geïnterviewd door Roy van Dalm voor OOlympia, een cultureel magazine voor de toekomst van het Olympisch Gebied in Amsterdam. Het maken van dit cultureel magazine is een onderdeel van de herontwikkeling van het Stadionplein, als gedeelte van het Amsterdams Olympisch Gebied. Het maken van het cultureel magazine kan worden gezien als één van de nieuwe instrumenten van wat Charles Landry city-making noemt. Het magazine is geproduceerd door BPF BouwInvest en The Beach. Luna Maurer en Roel Wouters van poly-xelor hebben de eindredactie gevoerd.
Reageer en kom ook in het magazine te staan
Het volledige magazine is te lezen op http://www.poly-xelor.com/oolympia/. Iedereen wordt aangemoedigd om commentaren toe te voegen op de digitale versie, die ook terecht zullen komen in de papieren versie.
Building the Utopian Stadionplein is een workshop met kinderen van de British School georganiseerd door kunstenares Uta Eisenreich. De kinderen maakten en bouwden samen hun ontwerp in de vorm van een 'cheese mountain' met materialen gekregen van de woningcorporatie Eigen Haard. Uta Eisenreich begeleidde de kinderen en maakte een serie foto's voor O.